Tot de dood ons scheidt

Gepubliceerd op 7 november 2026 om 00:57

Vanmorgen las ik in De Morgen een merkwaardig artikel over de Nederlandse hoogleraar Jan Rotmans.

De man is 65, ongeneeslijk ziek en heeft besloten een digitale tweeling van zichzelf te laten maken. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden zijn boeken, publicaties, lezingen, stem, gezicht en zelfs zijn mimiek samengebracht in een soort elektronische professor Rotmans. Een professor die na zijn dood gewoon verder kan praten, vragen beantwoorden en misschien zelfs nieuwe wetenschappelijke inzichten ontwikkelen.

Nu begrijp ik best waarom die man dat doet. Hij heeft zijn hele leven kennis verzameld en wil niet dat die zomaar verloren gaat. Maar wat mij vooral bezighield, was niet die wetenschappelijke kennis. Het was het idee dat iemand na zijn dood nog gewoon beschikbaar zou zijn om een gesprek mee te voeren.

Eigenlijk is dat niet eens zo'n gekke ontwikkeling. Mensen hebben altijd geprobeerd iets van hun overleden dierbaren bij te houden. Vroeger was dat misschien de oude jas van vader, die nog jaren aan de kapstok bleef hangen. Of zijn horloge, zijn pijp, een of ander gebruiksvoorwerp dat niemand durfde weg te gooien. Later kwamen de foto's, de vakantiekiekjes, de geluidsopnamen en uiteindelijk de video's. Eerst konden we onze doden alleen nog herinneren, daarna konden we ze opnieuw zien en horen. En tegenwoordig kan een computer ze zelfs laten antwoorden.

Als ge het zo bekijkt, is die digitale tweeling gewoon de volgende stap. Misschien zelfs een onvermijdelijke. Want wie heeft er nooit eens gewenst nog één keer met zijn overleden vader of moeder te kunnen praten? Nog één vraag stellen, nog één keer die vertrouwde stem horen? Hoeveel mensen zouden daar niet ontzettend veel voor overhebben?

En natuurlijk heeft de commercie dat ook al ontdekt. Er bestaat ondertussen een hele bedrijfstak rond digitale herinneringen en kunstmatige nabestaanden. DeathTech, GriefTech, ze hebben er zelfs al namen voor bedacht. De dood is blijkbaar niet alleen het einde van een leven, maar ook het begin van een nieuwe markt.

Ik kwam bijvoorbeeld het verhaal tegen van de Duitse Michael Bommer, die ongeneeslijke darmkanker had. Zijn vrouw Anett had hem verteld dat ze na zijn dood vooral zou missen dat ze hem zomaar iets kon vragen. Michael was blijkbaar iemand die haar rustig allerlei dingen kon uitleggen. Hij liet daarom een digitale versie van zichzelf maken, gevuld met zijn herinneringen, verhalen en levensopvattingen. Zelfs zijn stem werd nagebootst.

Het prijskaartje voor zo'n digitale nalatenschap bedroeg destijds zo'n 15.000 dollar. Een behoorlijk bedrag om na uw dood nog wat te kunnen babbelen, maar kom, een begrafenis is tegenwoordig ook niet goedkoop.

Wat me vooral trof, was dat zijn vrouw helemaal niet zeker wist of ze die digitale Michael na zijn overlijden ook werkelijk zou gebruiken. Ze vond het een mooi initiatief, maar besefte heel goed dat ze uiteindelijk tegen een machine zou praten. Een machine die niet warm is, die haar niet kan aanraken en die haar man niet werkelijk terugbrengt.

En daar zat ik dus, met mijn cappuccino en mijn krant, plots na te denken over mijn eigen digitale toekomst.

Want waarom zou er ook geen digitale Mr Willy kunnen komen? Ik heb ondertussen zoveel blogs geschreven, zoveel commentaar geleverd op de wereld en zoveel over mijn kanker, mijn medicijnen en mijn dagelijkse beslommeringen verteld, dat ge daar waarschijnlijk een behoorlijk spraakzame elektronische Willy van kunt maken. Eentje die over alles een mening heeft, zich overal mee bemoeit en geregeld eens ferm vloekt. Met een beetje geluk wordt hij zelfs minder vergeetachtig dan het origineel, want dat chemobrein begint soms behoorlijk vervelend te worden.

En het mooiste van alles: die digitale Willy zou nooit ziek zijn. Geen rugpijn, geen fentanyl, geen oxycodon, geen slapeloze nachten. Hij zou nooit moeten gaan liggen omdat zijn ribbenwal weer begint te protesteren. Geen trillende handen, geen bijwerkingen en geen dexamethasonhonger.

Maar wat heb ik daar eigenlijk aan? Ik ben dood, hé. Dat lijkt me nogal een belangrijk detail in dit hele verhaal. Of er nu ergens een computer staat die mijn stem nabootst of niet, ik zal er zelf geen seconde plezier aan beleven. Ik zal niet weten dat mijn digitale dubbelganger bestaat, laat staan dat ik kan genieten van zijn ongetwijfeld schitterende gesprekken.

Misschien zou ik mezelf kunnen wijsmaken dat ik op die manier toch nog een beetje blijf voortbestaan. Maar hoe ge het ook draait of keert, die computer gaat mijn plaats niet innemen. Ik ben en blijf dood.

En dan is er natuurlijk Mevr. Willy.

Stel dat ik haar zo'n digitale echtgenoot nalaat. Ze zou op een avond haar computer kunnen aanzetten en daar zit ik weer, met mijn vertrouwde gezicht, mijn stem en mijn eeuwige commentaar. Ze vertelt wat ze die dag gedaan heeft en ik antwoord zoals ik dat altijd deed. Misschien vraagt ze iets over de kinderen, over de tuin of over een apparaat dat het weer eens niet doet. En voor ge het weet, zit ik haar opnieuw uit te leggen hoe ze een of ander probleem moet oplossen.

Ik vermoed zelfs dat we nog ruzie zouden kunnen maken.

In het begin zou dat misschien prachtig zijn. Na meer dan vijftig jaar samen valt er immers nogal wat weg wanneer de andere er plots niet meer is. Alleen al mijn stem opnieuw horen, niet op een oude opname maar als antwoord op iets wat ze zojuist gezegd heeft. Ik kan me voorstellen dat ze daar ontzettend veel troost uit zou kunnen halen.

Maar iedere avond opnieuw met uw overleden man praten, iedere avond datzelfde gezicht zien en vervolgens de computer weer uitzetten, ik weet niet of dat op den duur nog zo prettig zou zijn. Misschien begint ze hem ook overdag aan te zetten. Gewoon om iets te vertellen, een vraag te stellen of mijn mening over iets te horen. Voor ze het weet, zit ik daar opnieuw de hele dag op haar lip. Alleen kan ze mij deze keer niet eens naar de winkel sturen.

Dat klinkt allemaal nogal grappig, maar eigenlijk vind ik het een verschrikkelijk moeilijke kwestie. Een oude jas kunt ge na twintig jaar nog eens uit de kast halen. Een foto kunt ge bekijken wanneer ge daar behoefte aan hebt. Een video kunt ge stopzetten. Maar een digitale echtgenoot die terugpraat, vragen stelt en misschien zelfs zegt dat hij u graag ziet, dat is toch iets heel anders. Die neemt opnieuw een plaats in uw leven in.

En stel dat Mevr. Willy na verloop van tijd iemand anders leert kennen. Iemand met wie ze graag eens gaat wandelen, een koffietje drinken of misschien zelfs op vakantie gaat. Zou ze dan het gevoel hebben dat ze mij ontrouw is? Want ik zit daar nog altijd, hé. In die computer, klaar om mijn mond open te doen zodra ze op een knop drukt.

Godverdomme, straks zit ik haar zelfs na mijn dood nog in de weg.

Dat is toch niet de bedoeling?

Natuurlijk wil ik dat ze mij blijft herinneren. Ik zou het nogal erg vinden als ze na meer dan vijftig jaar samenleven mijn foto onmiddellijk bij het oud papier zet en vrolijk aan een nieuw hoofdstuk begint alsof ik nooit bestaan heb. Maar ik wil evenmin dat ze de rest van haar leven aan mijn herinnering vastgeketend zit. Er komt voor haar hopelijk nog een hele tijd waarin ik er niet meer zal zijn. Een tijd waarin ze opnieuw plezier moet kunnen maken, lachen, mensen ontmoeten en misschien zelfs opnieuw gelukkig worden met iemand anders.

Al moet ik oppassen dat ik niet zelf voor haar begin te beslissen wat goed of slecht voor haar is. Misschien zou ze met zo'n digitale Willy heel verstandig kunnen omgaan. Af en toe een babbeltje, wanneer ze daar behoefte aan heeft, en verder haar eigen leven leiden. Ik zou haar die mogelijkheid niet graag ontnemen omdat ik op voorhand allerlei problemen zie.

Bovendien is er nog een ander probleem. Zo'n computer zal helemaal niet noodzakelijk zeggen wat ik gezegd zou hebben. Hij wordt gevoed met mijn teksten, mijn verhalen, mijn uitspraken en mijn manier van praten, maar uiteindelijk bedenkt hij zelf zijn antwoorden. Misschien geeft hij Mevr. Willy op een bepaald moment raad waar ik het volstrekt niet mee eens zou zijn. Of begint hij dingen te vertellen die helemaal niet bij mij passen.

En ik kan hem niet eens op zijn donder geven.

Er zit ook nog een vervelende kwestie aan vast. Stel dat ik helemaal geen digitale tweeling wil achterlaten, maar dat Mevr. Willy na mijn dood zelf zo'n exemplaar laat maken. Met mijn blogs, oude filmpjes, foto's en geluidsopnamen valt er vermoedelijk al heel wat te fabriceren. Het is tenslotte haar herinnering aan mij, maar het blijft wel mijn gezicht, mijn stem en mijn persoonlijkheid die worden nagebootst.

Omgekeerd zou ik haar zo'n digitale Willy kunnen nalaten zonder dat ze erom gevraagd heeft. Een laatste geschenk, zorgvuldig voorbereid, met de beste bedoelingen, terwijl zij misschien helemaal niet op dat geschenk zit te wachten.

Ik zou het verdorie niet weten.

In België heeft uitvaartorganisatie DELA trouwens al onderzoek gedaan naar die digitale vormen van rouwverwerking. Slechts zeven procent van de ondervraagde Belgen zou zelf zo'n AI-chatbot willen nalaten. Dertig procent vreest zelfs dat dergelijke technologie het rouwen moeilijker maakt, terwijl amper acht procent denkt dat ze het verdriet kan verlichten.

Dat verbaast me eigenlijk niet. We weten immers nog nauwelijks wat jarenlang contact met een digitale overledene met een mens doet. Misschien helpt het sommige mensen werkelijk. Voor anderen wordt het misschien een gewoonte waar ze steeds moeilijker vanaf geraken. En intussen staan er bedrijven klaar om die dienstverlening aan te bieden, uiteraard tegen betaling.
Want ook daar had ik aanvankelijk niet bij stilgestaan. Zo'n digitale echtgenoot blijft niet vanzelf bestaan. De computers moeten draaien, de software moet onderhouden worden en de firma achter het hele zaakje moet natuurlijk winst maken.

Wat als het abonnement afloopt? Of de firma failliet gaat? Of de kleinkinderen later beslissen dat die maandelijkse kosten voor opa toch wel wat overdreven worden? Dan sterft ge dus voor de tweede keer. Deze keer omdat iemand de rekening niet meer betaalt.
Ik zie het bericht al verschijnen. “Beste mevrouw, uw echtgenoot is niet langer beschikbaar. Gelieve uw abonnement te vernieuwen.” Ge zoudt voor minder beginnen vloeken.

En als Mevr. Willy op een dag zelf beslist dat ze genoeg heeft van die elektronische echtgenoot, wordt het misschien nog moeilijker. Eerst heeft ze mij werkelijk moeten afgeven en vervolgens moet ze zelf de knop indrukken om ook mijn digitale versie te laten verdwijnen. Misschien doet haar dat helemaal niets en beschouwt ze het gewoon als het verwijderen van een computerprogramma. Maar misschien voelt het voor haar als een tweede afscheid.

Het hele verhaal raakt me vermoedelijk ook extra omdat wij de laatste tijd al behoorlijk wat hebben moeten inleveren. Mijn kanker heeft ons leven veranderd, en niet alleen het mijne. Sinds kort slapen we zelfs niet meer samen. Ik beneden, zij boven. Een praktische oplossing, want met mijn rug en al die medicijnen werd het anders steeds moeilijker. Overdag werkt dat allemaal prima, maar na meer dan vijftig jaar samen slapen is het toch een vreemd gevoel wanneer ge 's nachts uw hand uitsteekt en er niemand naast u ligt.

En dan zijn we allebei nog in leven.

Ik kan mij maar al te goed voorstellen dat Mevr. Willy later nog dikwijls iets zal meemaken wat ze mij onmiddellijk zou willen vertellen. Een voorval met de kinderen, iets in de krant waar ik mij gegarandeerd druk over zou maken, of gewoon een of andere onnozelheid waar we samen eens goed om zouden lachen.
Misschien zou het haar dan deugd doen om mijn stem nog eens te horen. Zelfs als ze heel goed weet dat die uit een computer komt.

Ik merk trouwens dat ik voortdurend probeer te bedenken hoe zij met zo'n digitale Willy zou omgaan, terwijl ik eigenlijk niet eens weet hoe ik zelf zou reageren als zij vóór mij zou sterven. Misschien zou ik in het begin niets liever doen dan iedere avond nog even met haar praten. En misschien zou ik dat ding na een paar maanden het liefst door het raam kieperen.
Misschien vinden onze kleinkinderen het over vijftig jaar trouwens volkomen normaal om af en toe met hun overleden grootouders te praten. Zoals wij nu oude familiefoto's bekijken, zonder ons daar bijzonder veel vragen bij te stellen. Ik zie Noah of Elise al eens aan hun digitale opa vragen hoe het vroeger was, of waarom ik toch altijd zoveel over die verdomde kanker schreef.

Al hoop ik dat die elektronische opa niet op iedere vraag een uiteenzetting van een halfuur begint af te steken. Daar hadden ze aan de echte al meer dan genoeg mee te stellen.

Hoe dan ook, ik zou dat hele gedoe eigenlijk eens met Mevr. Willy moeten bespreken. Niet met een professor of een programmeur erbij, maar gewoon thuis, aan de keukentafel, met een cappuccino.

“Zeg, schat, zoudt ge na mijn dood eigenlijk nog met mij willen kunnen praten?”