Ettertje en de slag om Thorn

Gepubliceerd op 7 november 2026 om 00:55

In zijn vorige kroniek had koning Willy nog laten weten dat hij voor een keertje niets te vertellen had. Een hoogst uitzonderlijke gebeurtenis in de geschiedenis van zijn rijk, maar de koning had dan ook andere plannen.

Na maanden van vrijwel onafgebroken strijd aan de Ribbenwal was er eindelijk een soort gewapende vrede ontstaan. Ettertje had zijn aanvallen wat moeten temperen en de koninklijke legers hielden voorlopig stand. Een uitstekende gelegenheid dus om de koninklijke reiswagen nog eens van stal te halen en zijn zoon te gaan bezoeken, die een kampement had opgeslagen in Thorn, het Witte Stadje, net over de grens.
Al had de koning in die vorige kroniek ook al zijn twijfels geuit. Hij vreesde dat Ettertje weleens voor een nieuw avontuur zou kunnen zorgen. Maar goed, dat zou hij dan wel zien. Hij was in ieder geval niet van plan zich door dat kleine ettertje voor eeuwig binnen de paleismuren te laten opsluiten. En zo vertrok hij, in de hoop dat de wankele wapenstilstand toch minstens een paar dagen zou standhouden.

Alleen had hij buiten Ettertje gerekend. Die had blijkbaar lucht gekregen van de reisplannen en was allerminst van plan zijn tegenstander een paar rustige dagen te gunnen. Nog tijdens het vertrek verschenen zijn zwarte vaandels boven de bergkam en begon vanuit T4 en T5 een beschieting zoals de Ribbenwal er al in geen tijden meer had meegemaakt.
De eerste pijlen sloegen diep in. De wachters sloegen alarm, de zware poorten werden gesloten en de verdediging kwam onmiddellijk in actie. Fentanyl hield de hoofdmacht tegen, Oxycodon stuurde versterkingen naar de bedreigde wallen en Pregabaline liet zijn nevel door de zenuwtunnels trekken. Hoog boven de vesting hief Dexamethason zijn witte staf en probeerde de grootste vuurhaarden te bedwingen.
Maar Ettertje had kennelijk besloten deze keer alles uit de kast te halen. De ene aanval volgde op de andere. Nauwelijks was ergens een vuur gedoofd of een eind verder sloegen alweer nieuwe pijlen in. De koning had de grootste moeite om zijn troepen bijeen te houden en moest uiteindelijk zijn laatste reserves aanspreken. De ruiters van OxyNorm werden losgelaten. En in grote getale. Ze stormden door de poorten, sloegen de zwarte boogschutters terug naar de hellingen en wisten de ergste aanvallen te breken. De pijn week, al was het met veel moeite en zeker niet volledig.

Maar de wallen hielden stand.

Alleen bleek Ettertje ondertussen een bijzonder smerige vorm van krijgskunst ontwikkeld te hebben.
Want terwijl de verdedigers zich met man en macht tegen zijn aanvallen verzetten, begonnen ze zelf zware verliezen te lijden. Niet door vijandelijke pijlen of zwaarden, maar door hun eigen wapens. De krachtige betoveringen waarmee ze het rijk beschermden, keerden zich gedeeltelijk tegen de bevolking.
Over de binnenplaatsen verspreidde zich een loodzware nevel van vermoeidheid. Wachters zakten tegen de kantelen, smeden lieten hun hamers vallen en zelfs de meest geharde krijgers konden nauwelijks hun ogen openhouden. Wie zich even neerzette om op adem te komen, dreigde prompt in slaap te vallen.
En dat was nog maar het begin. In de wachttorens begonnen handen ongecontroleerd te beven. Vingers bewogen zonder bevel van hun eigenaar en hier en daar schokten volledige ledematen alsof een onzichtbare poppenspeler aan de touwtjes trok.

Maar de verraderlijkste betovering had Ettertje voor de koning zelf bewaard. Een eeuwenoude vloek, zo leek het wel, die langzaam alle kracht uit zijn ledematen zoog. Waar hij vroeger met één beweging uit het zadel sprong of zich na een knieval moeiteloos weer verhief, leek nu de zwaarte van een volledig gebergte op zijn schouders te rusten. Zelfs wanneer hij zijn zwaard als steun in de aarde plantte, wilden zijn benen hem nauwelijks nog dragen.
En dat alles moest zoveel mogelijk verborgen blijven voor zijn onderdanen. Een koning mocht dan wel gewond raken op het slagveld, maar zijn volk mocht niet zien hoe dicht hij bij de totale uitputting stond. Dus rechtte hij zijn rug, verzamelde de laatste restjes kracht en besteeg opnieuw zijn paard, alsof er niets aan de hand was.
Alleen achter de gesloten deuren van zijn koninklijke vertrekken durfde hij de strijd even te staken. Een nacht van betrekkelijke rust bracht zijn uitgeputte lichaam wat nieuwe kracht. Bitter weinig weliswaar, maar net genoeg om de volgende ochtend opnieuw zijn harnas aan te gespen.

Hoelang hij dat nog zou kunnen volhouden, wist zelfs de koning niet.

Ook aan de lager gelegen sluizen liep het mis. De mechanismen waarmee het water binnen de muren werd gehouden, begonnen te haperen. Soms een klein lek, soms een behoorlijke overstroming, en vooral 's nachts, wanneer de uitgeputte sluiswachters hun ogen niet meer konden openhouden, bleek de schade nauwelijks te voorkomen.
De koning zag het met lede ogen aan. Zijn legers konden Ettertje nog wel tegenhouden, maar de prijs die ze daarvoor betaalden werd stilaan onaanvaardbaar.

En Ettertje? Die hoefde eigenlijk alleen maar toe te kijken.
Hoe harder zijn tegenstander zich verdedigde, hoe meer ellende er binnen de muren ontstond. De pijn dwong de koning tot het inzetten van zwaardere wapens, terwijl precies die wapens voor nieuwe problemen zorgden. Meer vermoeidheid, meer sufheid, bevende handen, onwillige benen en lekkende sluizen. Voor iedere bres die gedicht werd, leek elders een nieuwe scheur te ontstaan.

Het werd een bijzonder benarde toestand. Even leek het erop dat de koning zijn bezoek aan Thorn voortijdig zou moeten afbreken. De eerste dag en vooral de daaropvolgende nacht hadden zijn troepen zoveel gekost dat er nauwelijks nog reserves overbleven.

Maar opgeven stond niet in de koninklijke bevelen.
De verdediging werd herschikt, de laatste reserves werden zorgvuldig verdeeld en de wachters kregen opdracht geen enkele nieuwe aanval te onderschatten. De ruiters van OxyNorm bleven paraat, maar de koning besefte maar al te goed dat hij niet eindeloos een beroep op hen kon blijven doen.

En langzaam begonnen de aanvallen af te nemen. De zwaarste beschietingen werden teruggedrongen en de verdedigers kregen eindelijk wat ademruimte. Maar van vrede was allerminst sprake. Ettertje had zijn boogschutters eenvoudigweg andere stellingen laten innemen. Nu eens sloegen zijn pijlen in langs de ruggengraat, dan weer richtte hij zijn geschut op het linkerschouderblad, om even later vanuit een geheel onverwachte hoek opnieuw toe te slaan. Soms bleef het urenlang betrekkelijk rustig, om vervolgens zonder enige waarschuwing weer mis te lopen. Zelfs een kleine beweging binnen de vesting kon voldoende zijn om een nieuwe beschieting uit te lokken. De koning had zijn vijand voorlopig teruggedrongen, maar wist nooit waar of wanneer de volgende pijlen zouden inslaan.

Met de andere ellende lag het moeilijker. De loodzware vermoeidheid verdween niet. De nevel van sufheid bleef over het rijk hangen en ook de bevende handen, de onwillige benen en de problemen aan de sluizen waren allerminst opgelost. Maar de koning en zijn gevolg leerden er zo goed en zo kwaad als mogelijk mee omgaan. Regelmatig halt houden, niet te veel ineens willen, de sluiswachters wat vaker aflossen en vooral zorgen dat niemand zich verder uitputte dan strikt noodzakelijk.

En zo gebeurde het dat de koninklijke vaandels toch weer boven Thorn verschenen. De koning trok door de straten van het Witte Stadje, bezocht het kampement van zijn zoon en liet zich zelfs door zijn vermoeide gelederen niet beletten de omgeving te verkennen. Zijn soldaten marcheerden dan wel met loden voeten, de paarden waren allesbehalve fris en boven de koninklijke stoet hing nog altijd die vervloekte nevel, maar de reis ging verder.

Het was geen glorieuze overwinning. Eerder een moeizaam bevochten bestand, waarbij de koning uiteindelijk toch zijn doel had bereikt. Hij had zijn zoon bezocht, Thorn verkend en keerde, weliswaar zwaar gehavend, met zijn koninklijke reiswagen naar het paleis terug.

De slag om Thorn mocht in de koninklijke geschiedboeken dan ook gerust als een overwinning worden opgetekend.
Al zou de hofschrijver er verstandig aan doen zijn ganzenveer nog even niet neer te leggen. 
Want ver achter de Ribbenwal brandden de smederijen van Ettertje alweer op volle kracht. Zijn zwarte legers waren teruggedreven, maar geen van zijn burchten was ingenomen, geen enkel van zijn wapens vernietigd.
En de koning kon onmogelijk naast de feiten kijken. Ettertje was de voorbije maanden sterker geworden. Zijn aanvallen waren heviger, zijn tactieken smeriger en de verdediging had steeds zwaardere wapens nodig om hem buiten de muren te houden.

Wapens die bovendien almaar meer schade aanrichtten binnen het eigen rijk.

Het meest verontrustende was misschien nog dat al die ellende zich niet beperkte tot de ogenblikken waarop Ettertje zijn legers liet oprukken. Ook wanneer de zwarte boogschutters zwegen en er boven de Ribbenwal geen enkele vijandelijke vlag te bespeuren viel, bleef het koninkrijk onder de gevolgen van zijn eigen verdediging gebukt gaan. De wachters bleven suf, de handen van de soldaten bleven beven en de koning had soms de grootste moeite om zich überhaupt nog overeind te houden. Zelfs de eenvoudigste bezigheden vergden een inspanning die vroeger nauwelijks het vermelden waard zou zijn geweest.

En ondertussen bleven, ergens langs de zwaar gehavende wallen, de vijandelijke pijlen inslaan. Minder talrijk dan voorheen, maar daarom niet minder echt. De prijs van de verdediging was ondertussen bijna even beangstigend geworden als de vijand waartegen ze bescherming moest bieden.

De koning kon onmogelijk naast die werkelijkheid blijven kijken. Zijn verdediging werkte nog wel, maar ze dreigde onder haar eigen gewicht te bezwijken. Hij kon de poorten blijven versterken, meer soldaten oproepen en steeds zwaardere wapens inzetten, maar wat had hij uiteindelijk aan een onneembare vesting als er binnen de muren niemand meer overeind kon blijven?
Nee, de oude strijdplannen mochten wat hem betreft regelrecht het haardvuur in. Er moesten nieuwe bondgenootschappen worden gesmeed, andere verdedigingslinies opgetrokken en misschien zelfs wapens uit de diepste gewelven van het koninklijke arsenaal gehaald worden. Wapens waarvan niemand wist of ze de overwinning konden brengen. Of welke prijs daarvoor betaald zou moeten worden.

En terwijl aan de overkant van de Ribbenwal de smederijen van Ettertje alweer op volle kracht brandden en zijn zwarte legioenen zich verzamelden, werden in de koninklijke burcht de veldheren bijeengeroepen.

De slag om Thorn was gewonnen. Maar de volgende veldslag zou een heel ander verloop moeten kennen.

Op de grote tafel van de krijgsraad werd alvast een nieuwe kaart uitgerold.