GLAZEN KAST

Gepubliceerd op 12 januari 2025 om 10:08

Zoals meermaals gezegd: op onze bucketlist staat eigenlijk nog maar één ding.
Zoveel mogelijk wegdoen, zodat onze nabestaanden later niet met onze rommel opgescheept zitten.

Geen exotische reizen meer, geen grote plannen. Gewoon opruimen. Wegwerken.
De stille strijd tegen kasten, dozen en vergeten hoekjes waar het verleden zich jarenlang heeft opgestapeld alsof het dacht dat het daar voor eeuwig mocht blijven liggen.

En zo zijn nu bijna al mijn boeken weg. Duizenden bladzijden herinneringen die ooit mijn toevlucht waren, netjes verdeeld over kringwinkel en tweedehandskopers. Mijn tarots ook verdwenen — kaarten die ooit vol geheimen leken te zitten, maar die nu gewoon karton bleken te zijn dat plaats innam. En ik ben volop bezig met mijn oude postkaarten in te scannen voor verkoop, kaart na kaart, alsof ik stukje bij beetje mijn eigen geschiedenis digitaliseer om ze daarna los te laten.

Nou… dat doet pijn.
Meer dan ik ooit gedacht had.

Maar uiteindelijk aanvaard je het. Of ge doet alsof ge het aanvaardt — wat op oudere leeftijd vaak op hetzelfde neerkomt.

Alleen zijn er dingen die blijven staan. Dingen die ge niet zomaar in een doos steekt voor een vreemde koper die er later misschien een euro voor over heeft.

Bij mij staan die dingen in een soort denkbeeldige glazen kast. Geen echte kast — daarvoor is de plaats al lang ingenomen door andere rommel — maar een kast in mijn hoofd, waar een paar stukken staan die ge nooit wegdoet.

Zo staat daar een houten plaat.
Geen kunstwerk, geen erfstuk van grote waarde, maar gewoon een plank met daarop de woorden:
“Dit is mijn gebod: heb elkander lief.”

We kregen ze van de pastoor die ons huwde.
Zo’n moment waarop ge nog jong zijt, vol plannen, en denkt dat het leven iets overzichtelijks zal zijn, met duidelijke regels en een voorspelbaar verloop. Die plaat heeft jarenlang ergens gehangen, verhuisd van muur naar muur, soms vergeten, soms weer even gezien. En nu staat ze daar — niet zozeer in mijn huis, maar in mijn herinnering — als een soort stille getuige van een tijd waarin alles nog moest beginnen.

En daarnaast staat een asbak.
Met een dobbelsteen erin verwerkt.

Die heb ik zelf gemaakt.
Met bloed, zweet en tranen — letterlijk bijna.

Drie maanden aan gewerkt in de technische school, in het middelbaar. Twaalf uur praktijk per week. Twaalf uur vijlen. Vijlen tot uw armen moe waren, tot uw vingers brandden en ge het gevoel had dat dat stuk metaal nooit zou doen wat ge wilde. Millimeter per millimeter. Urenlang dat monotone schuren, dat krassende geluid van vijl op staal.

Toen vond ik dat een ellende.
Een straf bijna.

Maar nu, zoveel jaren later, zie ik die asbak en weet ik weer hoe koppig ge toen kon zijn, hoe ge bleef doorgaan omdat ge niet wilde toegeven dat iets te moeilijk was.

En ergens, een beetje verscholen daarachter, staat nog altijd dat beeldje van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes.

Van mijn moeder.

Ze is ooit één keer naar Lourdes geweest — een grote reis voor haar, in een tijd dat reizen nog niet vanzelfsprekend was. Daar heeft ze dat beeldje gekocht. Ik denk dat het voor haar doen veel geld moet gekost hebben, want het is eigenlijk een muziekdoosje.

Als ge het omdraait, zit er een klein ringetje onderaan. Dan draait ge dat op, en begint het te spelen — tingeltangelend, een beetje krakerig ondertussen — maar nog altijd herkenbaar:

“Te Lourdes op de bergen verscheen in een grot,
vol glans en vol luister de Moeder van God,
ave, ave, ave Maria…”

Wij zongen dat vroeger in de processie, in de meimaand.
En soms zet ik het nog eens op, als er een van de kleinkinderen hier is. Dan hoor ik dat oude melodietje en zie ik ineens weer mijn moeder voor mij, hoe ze het beeldje voorzichtig uit de kast haalde, alsof het iets breekbaars was — wat het eigenlijk ook was.

En dan denk ik soms — en dat klinkt misschien wat melig, maar toch — dat alle mensen zo’n glazen kast zouden moeten hebben.

Zo’n kast waar ge uw vroeger kunt inzetten.
Niet alles. Alleen datgene wat, ondanks het opruimen en wegdoen, toch weigert om weg te gaan.

Omdat het geen rommel is.
Maar bewijs dat ge ooit begonnen zijt.