In 2008 maakten onderzoekers diep in het Congolese regenwoud een foto van een aap.
Geen foto waarmee je een natuurfotowedstrijd wint. Veel kregen ze niet te zien. Hoog tussen het dichte bladerdak waren vooral de rug en een deel van de staart van het dier zichtbaar.
Alleen klopte er iets niet.
De onderzoekers kenden de apen die in dat gebied leefden, maar dit exemplaar konden ze niet goed thuisbrengen. Misschien keken ze naar iets bijzonders.
Misschien ook niet.
Want op basis van een stukje rug en een staart kondig je beter geen nieuwe apensoort aan.
Dus bleef het voorlopig bij een vermoeden.
Jaren gingen voorbij.
De aap trok zich daar vermoedelijk weinig van aan. Hij liep door zijn bos, at zijn bladeren, zocht waarschijnlijk af en toe een aantrekkelijke mevrouw-aap en had geen flauw benul dat ergens een stel mensen zat te discussiëren over zijn bestaan.
Hij had wel wat anders te doen.
Pas tien jaar later kwamen er betere foto's. Daarna volgden nieuwe expedities en steeds meer waarnemingen. Onderzoekers maakten geluidsopnamen van de roep van de dieren, bestudeerden hun uiterlijk en verzamelden biologisch materiaal.
Langzaam kwam er naast die ene slechte foto steeds meer bewijs te liggen.
Uiteindelijk beschikten de onderzoekers over 114 waarnemingen, foto's, geluidsopnamen, anatomische gegevens en DNA. En in juli 2026, achttien jaar na die eerste merkwaardige ontmoeting, verscheen de formele wetenschappelijke beschrijving.
De aap bestond.
Sterker nog: het bleek een tot dan toe onbekende soort.
Hij kreeg de naam likweli, wetenschappelijk Colobus congoensis. Het dier leeft in het huidige Lomami National Park in de Democratische Republiek Congo en is pas de vijfde nieuwe Afrikaanse apensoort die in ongeveer 75 jaar wetenschappelijk werd beschreven.
Achttien jaar onderzoek om zekerheid te krijgen over iets wat daar al die tijd gewoon in de bomen zat.
De likweli zelf zal er weinig van wakker gelegen hebben.
Die was er.
Of wij daar nu voldoende bewijs voor hadden of niet.
Dat verschil tussen iets bestaat en wij kunnen bewijzen dat het bestaat is nogal groot. Wij gooien die twee alleen gemakkelijk op één hoop.
Zeker wanneer er iets met ons lijf aan de hand is.
Je voelt iets. Pijn bijvoorbeeld. Of vermoeidheid. Iets klopt gewoon niet zoals het hoort te kloppen. Er wordt gekeken, geprikt, gescand en gemeten.
"We zien niets."
Een prachtige zin als je bang was dat ze iets zouden vinden.
Een behoorlijk onbevredigende als je ondertussen nog altijd pijn hebt.
Want we zien niets betekent niet noodzakelijk er is niets. Het betekent in de eerste plaats dat met wat er op dat moment bekeken of gemeten werd geen verklaring is gevonden.
Dat is iets anders.
Al moeten we daar ook weer mee oppassen. Want voor je het weet wordt ieder voorgevoel automatisch waarheid. Ik voel gewoon dat er iets zit is geen diagnose. Een stukje zwarte rug en een staart waren in 2008 ook geen bewijs voor een nieuwe apensoort.
Daarom duurde het achttien jaar.
Wetenschap kan soms tergend vervelend zijn. Ze wil bewijs.
En meestal ben ik daar bijzonder blij om.
Ik heb liever een arts die zegt "ik weet het nog niet" dan eentje die na drie seconden naar mijn voorhoofd te hebben gekeken aankondigt dat mijn linker nier ongelukkig is.
Maar buiten ziekenhuizen leven we voortdurend met wazige foto's.
Je vraagt iemand hoe het gaat.
"Goed."
En toch klopt er iets niet. Je kunt niet aanwijzen wat. Misschien alleen een halve seconde aarzeling voordat dat goed kwam.
Bewijs: nul.
Of je ontmoet iemand en vanaf het eerste gesprek ligt die mens je. Waarom? Geen flauw idee. Omgekeerd gebeurt trouwens ook. Iemand heeft je werkelijk niets misdaan en toch zou je hem met plezier na vijf minuten terug in de verpakking stoppen.
Ook daarvoor bestaat voor zover ik weet nog geen bloedonderzoek.
We pikken blijkbaar voortdurend kleine signalen op waarvan we niet precies weten wat we ermee moeten. Soms blijken ze achteraf nergens op te slaan. Soms hadden we iets gezien voordat we wisten wát we zagen.
Eigenlijk is dat misschien een betere omschrijving van die eerste foto uit Congo.
Niet wazig omdat hij onscherp was.
Wazig omdat hij maar een stukje van de werkelijkheid liet zien.
Een rug.
Een staart.
Wat bladeren.
De rest moesten ze nog uitzoeken.
En zo hebben we allemaal wel van die foto's.
Een klacht waarvoor nog geen verklaring bestaat. Een gevoel bij iemand dat je niet kunt onderbouwen. Een gebeurtenis waarvan je maar een deel kent en waarover je toch al een mening klaar hebt. Soms zelfs een herinnering waarvan jij zeker weet hoe ze verlopen is, terwijl iemand anders die erbij was een totaal ander verhaal vertelt.
We zien een stukje en proberen daar het hele plaatje van te maken.
Soms zitten we er compleet naast.
Die mogelijkheid moeten we er helaas bij nemen.
Maar soms is dat ene stukje wel voldoende om nog even verder te kijken.
De onderzoekers in Congo hadden in 2008 ook kunnen besluiten dat ze waarschijnlijk gewoon een bekende aap vanuit een vreemde hoek hadden gefotografeerd.
Dat deden ze niet.
Ze beweerden evenmin dat ze een nieuwe soort ontdekt hadden.
Ze hadden alleen iets gezien wat niet helemaal klopte.
Dus bleven ze kijken.
Achttien jaar later kregen die paar zwarte haren en dat stukje staart uiteindelijk een naam.
Likweli.
Er liep inderdaad iets tussen de bomen.