Onder een stolp

Gepubliceerd op 9 juni 2026 om 06:50

Soms droom ik dat ik langzaam leef.

Niet gewoon traag, zoals op zo’n regenachtige dinsdagmiddag waarop je enkel nog wacht tot het bedtijd is, maar langzaam in de zin van versteend. Alsof de dagen zich opstapelen als stoflagen op een vensterbank die niemand nog afstoft. Alsof alles om me heen beweegt, maar ik stilsta, in het midden van het leven dat me is blijven voorbijwandelen.

Vroeger had ik dat niet.

Vroeger leefde ik snel. Ik had een job, een auto, een klok, een stem, een agenda, een deadline, een avondmaal, een zondag.
Tegenwoordig heb ik pillen, een medisch dossier en een ochtendwandeling naar de apotheek. En soms — pijnlijk vaak — heb ik niets. Alleen dat trage tikken van binnenin, dat lijkt te vragen: ben je er nog, of ben je het aan het vergeten?

Ik weet niet of het door de hormonen komt, of door de kanker, of gewoon door het ouder worden.Maar er zijn ochtenden waarop ik wakker word en moet zoeken naar mezelf.

Niet naar mijn sleutels of bril — dat is dagelijkse kost — maar naar iets anders. Dat teer vermogen om te voelen, om iets met zachtheid of pijn te bekijken en te denken: ik ben nog iemand, ik ben nog wie ik was, of toch een beetje.

Misschien is dat ook niet zo vreemd. Een mens kan maar zoveel verwerken. Eerst de kanker, dan de behandelingen, dan de controles, dan weer een scan, een bloedname, een uitslag, een lotgenoot die slecht nieuws krijgt, een bericht op televisie over oorlog of ellende, een krant die alweer vol rampspoed staat.

Op den duur gebeurt er iets eigenaardigs. Je schrikt minder. Niet omdat je moediger wordt, maar omdat je moe wordt.

En daar spreekt bijna niemand over. Over dat afgestompt raken.

Niet door één grote klap, maar door duizenden kleine. Door die eindeloze stroom van dingen waar je eigenlijk niet om gevraagd hebt. Door die goddamse mallemolen in je hoofd die maar blijft draaien, zelfs wanneer alles rondom je stil lijkt. Door de constante berichten die overal opduiken, alsof de wereld elke ochtend opnieuw beslist heeft dat er nog een schepje slecht nieuws bovenop mag.

Op den duur raak je afgestompt. Niet volledig. Niet gevoelloos. Maar toch een beetje.
Alsof er ergens een beschermlaag ontstaat tussen jezelf en de wereld. Een dun vlies dat de scherpe kantjes afzwakt.

Misschien is het een vorm van zelfverdediging. Misschien kan een mens gewoon niet blijven leven alsof elke uitslag, elke tegenslag en elk verdriet hem opnieuw volledig mag raken.

En toch vind ik dat soms jammer. Want dat zijn de dagen waarop ik me verdoofd voel. Niet fysiek — mijn lichaam mort wel vaker, maar dat is business as usual. Nee, verdoofd als mens. Alsof ik ergens onderweg vergeten ben hoe je geraakt wordt. Door een lied, een blik, een herinnering, een vogeltje op het terras.

En dan plots… op zo’n dag die nergens toe lijkt te leiden…

Dan gebeurt het toch.

Een flard muziek. Misschien een oud liedje dat ik al honderd keer gehoord heb. Een stem op de radio. Of het gezicht van Mevr willy, dat me plots aankijkt met een blik alsof ze dwars door alle lagen heen kan kijken die ik in de loop der jaren verzameld heb.

En dan weet ik het weer.

Dan voel ik iets. Niet groots. Geen openbaring. Geen gelukzaligheid. Gewoon een kleine steek van ontroering.

En gek genoeg ben ik daar dankbaar voor.

Want ik wil niet langzaam leven. Ik wil niet versteend zijn. Ik wil niet die man worden die alles hoort, alles leest, alles ondergaat en nergens nog echt door geraakt wordt.

Ik wil voelen.
Al doet het soms pijn. Al komt het met tranen. Al is het onhandig, onvolledig of chaotisch.

Want misschien is dat uiteindelijk wat leven is.

Niet de klok. Niet de agenda van ziekenhuisbezoeken. Niet de pillendoos met haar vakjes en herinneringen.

Maar die momenten waarop er ergens een scheurtje komt in die doffe laag die zich ongemerkt over je heen gelegd heeft. Die momenten waarop een liedje, een herinnering of een blik van iemand die je liefhebt ineens weer binnenkomt zoals vroeger.