Hoeveel hoop heeft een mens eigenlijk nodig om verder te leven?
Een paar dagen geleden las ik nog een bericht over Margriet Hermans. Nu weer een overlijdensbericht. Deze keer over Lieke Marsman.
En ergens de voorbije maanden passeerden er nog wel een paar bekende namen waarvan ik mij nu al niet meer herinner wie het waren. De overlijdensberichten beginnen zich stilaan op te stapelen als reclamefolders in een brievenbus. Alleen zijn ze een stuk minder vrolijk.
Maar deze keer bleef ik hangen.
Lieke Marsman werd vijfendertig. Vijfendertig.
Dat is een leeftijd waarop de meeste mensen nog denken dat ze alle tijd van de wereld hebben. Een leeftijd waarop je normaal bezig bent met plannen maken. Kinderen krijgen misschien. Een huis afbetalen. Dromen voor later.
Niet met nadenken over experimentele behandelingen voor een ongeneeslijke kanker.
Ik kende haar wel. Dichteres. Schrijfster. Bekroond. Slimme vrouw. Heeft veel over zichzelf geschreven. Haar ziekte, haar toekomst, haar verwachtingen.
Vooral deze uitspraak bleef hangen:
"Wat als het voor mij heel veel zin heeft om tot het einde toe de zwaarste behandelingen te ondergaan? Omdat mijn kwaliteit van leven niet wordt bepaald door de afwezigheid van lijden maar door de aanwezigheid van hoop."
Dat is een zin waar ik al heel de dag op kauw.
Niet omdat ik het oneens ben, maar ook niet omdat ik het helemaal eens ben. Misschien juist omdat ik merk dat mijn eigen antwoord door de jaren heen veranderd is.
Wanneer ik Lieke Marsman lees, krijg ik de indruk dat zij haar hoop vooral vond in de mogelijkheid dat er misschien toch nog ergens een deur openstond. Een nieuwe behandeling. Een experimenteel onderzoek. Een onverwachte doorbraak. Een andere planeet, zoals de titel van haar laatste boek suggereerde.
Misschien raakt die gedachte mij juist omdat ik zelf al bijna zes jaar in hetzelfde landschap rondloop, zij het met een heel ander kompas.
Sinds oktober 2020 leef ik in dat vreemde grensgebied waar veel kankerpatiënten vroeg of laat terechtkomen. Niet meer echt gezond, maar ook nog niet stervend. Niet genezen, maar ook niet meteen bezig met afscheid nemen. Een soort niemandsland waar je voortdurend beslissingen moet nemen over onderzoeken, scans, medicatie en behandelingen, terwijl je eigenlijk veel liever bezig zou zijn met iets totaal anders.
Welke behandeling nog wel? Welke niet meer? Hoe ver wil je gaan?
Wanneer wordt vechten verstandig? Wanneer wordt het koppigheid?
En wanneer wordt berusting wijsheid in plaats van opgeven?
Ik merk dat mijn eigen hoop zich in de loop der jaren ergens anders is gaan nestelen. Niet zozeer in de vraag of ik nog genezen kan worden, maar eerder in de vraag wat er vandaag nog mogelijk is. Of ik nog kan wandelen. Nog kan schrijven. Nog kan lachen. Nog een reisje kan maken.
En vooral, of ik nog een tijdje een mezelf kan blijven. Zonder al te veel ellende. Vooral dat.
Misschien is dat gewoon een leeftijdsverschil. Of misschien een verschil in temperament.
Of misschien bestaat er helemaal geen juiste manier om met ongeneeslijke kanker om te gaan.
Want terwijl ik haar woorden las, betrapte ik mezelf erop dat ik haar bewonderde zonder haar te willen nadoen. Ik bewonderde haar koppigheid, haar nieuwsgierigheid, haar weigering om anderen te laten bepalen wat nog zin had en wat niet. Maar tegelijk voelde ik ook dat mijn eigen kompas ergens anders naartoe wijst.
En toch komen we misschien uiteindelijk op dezelfde plek uit.
Niet bij genezing. Niet bij overwinning.
Maar bij die hardnekkige menselijke eigenschap die maakt dat mensen blijven opstaan, blijven plannen maken en blijven uitkijken naar morgen, zelfs wanneer ze weten dat morgen geen vanzelfsprekendheid meer is.
Misschien is dat wel het meest wonderlijke van alles: dat een vrouw van vijfendertig en een ouwe kankerlijer uit Wommelgem, ondanks alle verschillen, uiteindelijk met dezelfde vraag blijven zitten.
Hoeveel hoop heeft een mens eigenlijk nodig om verder te leven?