Er zijn van die prestaties in het leven waarvoor je vroeger applaus kreeg, een medaille, een taart of op zijn minst een overdosis bewondering van de aanwezige familieleden.
Neem nu droog blijven tijdens de nacht.
Toen ik drie of vier jaar oud was, was dat blijkbaar een gebeurtenis van nationaal belang. Als ik 's morgens wakker werd en de lakens hadden de nacht zonder incidenten overleefd, volgde er een soort spontane volksviering. Mijn moeder straalde alsof ik zojuist de Nobelprijs had gewonnen. Mijn vader knikte goedkeurend. Er werd gesproken over vooruitgang. Over volwassen worden. Over een veelbelovende toekomst.
Soms denk ik dat er toen zelfs meer enthousiasme was dan toen ik later mijn rijbewijs haalde.
Maar kijk hoe grillig het leven kan zijn. Want nu, ruim zestig jaar later, gebeurt precies hetzelfde.
Ik word wakker. Het bed is droog. Er heeft zich geen enkel ongepland incident voorgedaan.
Maar wat krijg ik? Niks. Geen applaus. Geen felicitaties. Geen bloemen. Zelfs geen certificaat.
Integendeel. Mevr willy kijkt hoogstens eens op van haar koffie en vraagt of ik straks de vuilnisbak buiten wil zetten.
Alsof ik geen uitzonderlijke prestatie geleverd heb.
Terwijl de moeilijkheidsgraad ondertussen toch flink is toegenomen.
Want je moet weten dat de omstandigheden echt wel veranderd zijn. Toen ik drie jaar was, beschikte ik nog over een volledig originele uitrusting. Ondertussen hebben chirurgen, bestralingstoestellen, hormonen en allerlei andere medische knutselaars zich uitgebreid met de constructie bemoeid.
Er zijn onderdelen verwijderd. Andere onderdelen functioneren op basis van goede wil en optimisme.
Sommige afdelingen draaien vermoedelijk nog uitsluitend dankzij een ploeg overwerkte kabouters met ducttape en secondelijm.
Toch slaagt het systeem er nog steeds in om nacht na nacht de boel onder controle te houden.
Ik vind dat eerlijk gezegd best indrukwekkend.
Niet dat ik daar voortdurend mee bezig ben. Een mens kan zijn dagen moeilijk vullen met het bewonderen van zijn eigen blaas. Maar af en toe, wanneer ik 's morgens uit bed stap en vaststel dat alles nog netjes op zijn plaats zit, denk ik toch: kijk eens aan.
Heel soms voel ik de neiging om mijn bed uit te springen, een rondedans door de slaapkamer te maken en luidkeels te verkondigen dat de nacht opnieuw zonder incidenten verlopen is.
Maar ik doe het niet.
Want ik ben volwassen. En volwassen mannen springen niet zingend uit bed om een droge onderbroek.
Behalve in stilte.
Toch is het raar, vind je niet? Hoe we als peuter overgewaardeerd worden voor elke druppel die we netjes op de juiste plaats weten te krijgen, en als oude kerel alle erkenning moeten missen terwijl het dubbel zo moeilijk geworden is.
Alsof de cirkel zich sluit, maar dan zonder applaus.
Nou goed. Dit is mijn nieuwe normaal. Geen stickers. Geen koekjes. Geen fanfare.
Maar toch, als ik 's morgens mijn pyjama bekijk en die blijkt kurkdroog, dan knik ik even.
Naar mezelf. Naar die kleine jongen van vroeger.
En ergens verwacht ik nog altijd dat er vanuit de keuken iemand zal roepen:
"Goed gedaan, jongen."