Nachtpost uit het binnenste

Gepubliceerd op 28 juli 2026 om 11:21

Of: hoe de stilte mij ongevraagd bezoek komt brengen en weigert weer weg te gaan

Het is ergens tussen drie en vier, dat vreemde uur waarop de wereld nog niet goed weet of ze moet blijven slapen of stilaan weer wakker worden.
Ik ben wakker. Niet omdat ik dat wil, maar omdat mijn lichaam dat beslist heeft. Zonder overleg. Dat doet het de laatste tijd wel vaker.

Mijn blaas, de nachtwaker van dienst, heeft me uit bed gestuurd. Niet om me te pesten, denk ik, maar gewoon omdat hij zijn werk doet. Organen kennen geen medelijden. Zeker niet nadat ik ze de voorbije jaren heb getrakteerd op chemokuren, hormonen, scans, prikken en pillen met een bijsluiter langer dan de Bijbel en ongeveer even begrijpelijk.

Maar vannacht is het niet alleen de blaas. De paracetamol is uitgewerkt en ergens tussen mijn schouderbladen begint de pijn zich weer te melden. Dus strompel ik naar beneden voor een nieuwe pijnstiller. Die helpt gelukkig behoorlijk. Alleen heeft dat spul rustig een uur nodig voor het besluit dat het misschien toch eens iets gaat doen.

En dus sta ik daar, een sjofele versie van mezelf, in onderhemd en pantoffels die al even versleten zijn als hun eigenaar. De badkamer is stil. De spiegel kijkt me aan alsof hij dit tafereel ondertussen ook wel uit het hoofd kent.

Ik probeer mijn gezicht niet al te aandachtig te bekijken. Het verraadt meer dan me lief is. De ogen zijn doffer geworden. De huid wat valer. Het is het gezicht van iemand die al te vaak heeft gehoord dat er "toch nog iets zit", dat "de waarde weer wat gestegen is" of dat "we misschien aan de volgende behandeling moeten denken". Op den duur leer je knikken. Je slikt. En je maakt een grapje, omdat dat gemakkelijker is dan het alternatief.
De trap naar beneden ging ooit vanzelf. Nu merk ik elke trede. Beneden wacht de cappuccino. Dat is het mooie van een koffiemachine. Ze stelt geen vragen. Ze wil niet weten hoe het gaat, wanneer de volgende scan is of hoeveel pijn je vannacht had. Ze doet gewoon waarvoor ze gemaakt is. Eigenlijk zouden sommige mensen daar een voorbeeld aan mogen nemen.

Ik ga aan tafel zitten.

En dan begint het.

Niet het nadenken. Dat is iets voor overdag, voor gesprekken met artsen en plannen die toch weer veranderen. Nee... het denken. Dat ongefilterde malen dat alleen 's nachts lijkt te bestaan, wanneer het huis stil is en er niets meer overblijft dan jezelf.
Dan schuift het verdriet ongemerkt mee aan tafel. Niet dramatisch. Gewoon aanwezig.

Dan komen de vragen. Niet of ik morgen doodga. Zover zijn we nog niet

"Nog niet."

Die twee woordjes zijn de voorbije maanden wel steeds belangrijker geworden.
Het zijn geen grote dramatische sprongen. Eerder kleine stukjes van jezelf die ongemerkt verdwijnen. Een beetje pijn erbij. Een beweging die moeilijker gaat. Weer een nieuw medicijn.
En zonder dat iemand het uitspreekt, schuif op naar een leven waarin pijnstillers net zo vanzelfsprekend worden als de cappuccino. 

En ergens, diep vanbinnen, weet je dat al die kleine stukjes samen ooit een groot stuk zullen vormen.

Toch leef ik nog. Ik schrijf blogs. Ik wandel. Ik lach soms zo hard dat mensen bijna vergeten waarom ik patiënt ben geworden.
De tumor is nooit helemaal vertrokken. Hij is gewoon blijven logeren. En ik blijkbaar ook.

Ik heb heimwee naar het begin. Naar de eerste diagnose.
Niet omdat die tijd beter was, maar omdat alles toen duidelijk was. Er was angst, maar die had een richting. Er moest gevochten worden en iedereen wist waarvoor.

Nu is dat anders. Nu heb ik geen angst meer. Nu heb ik slijtage.
In het begin voelde ik strijdlust. Nu voel ik vooral vermoeidheid.

Niet van het vechten. Maar van het blijven. Van het zijn.

Toch schuift er elke ochtend opnieuw een streepje licht over de tafel. Geen wonder. Geen groot inzicht. Gewoon een nieuwe dag die zich aandient.

Even later hoor ik boven Mevr Willy wakker worden. Het geschuifel van haar pantoffels. Geluiden die na al die jaren bijna net zo vertrouwd zijn als mijn eigen ademhaling.

En dan weet ik dat het voor vannacht wel weer genoeg geweest is.

Er zal nog wel een volgende nacht komen.

Maar eerst cappuccino