Af en toe betrap ik mezelf erop dat ik iets zeg en onmiddellijk denk:
Verdorie... dat was mijn vader.
Niet alleen zijn woorden. Ook zijn droge humor. Zijn koppigheid. Zijn manier om ergens naar te kijken.
En soms is het nog erger. Dan hoor ik mezelf iets zeggen waarvan ik vroeger overtuigd was dat ik het nooit zou doen.
Zo'n uitspraak waarvan je als jonge gast dacht: Als ik later ooit zo word, geef me dan maar een schop onder mijn kont.
Tja. Blijkbaar werkt dat niet zo.
Ook verhalen hebben daar trouwens last van.
Regelmatig vertel ik een anekdote waarvan ik zeker weet dat ik ze ooit van iemand anders gehoord heb. Een vriend. Een collega. Een buurman.
Alleen... ik weet allang niet meer van wie. Het verhaal is blijven hangen. De eigenaar niet. En toch vertel ik het alsof het ondertussen een beetje van mezelf geworden is.
Eigenlijk is dat een vreemde gedachte.
Hoeveel woorden gebruiken we die we ooit van iemand anders hebben opgepikt?
Hoeveel gewoontes zijn niet echt van ons, maar gewoon blijven plakken?
Hoe vaak hoor je iemand lachen en denk je ineens: Verdorie... dat is precies zijn moeder.
Of zie je een zoon precies dezelfde beweging maken als zijn vader, zonder dat hij het zelf beseft?
Misschien verzamelen we ons hele leven wel kleine stukjes van de mensen die we onderweg tegenkomen.
Een uitdrukking. Een gewoonte. Een manier van kijken. Een grap. Soms zelfs een ergerlijke eigenschap waarvan we vroeger zwoeren dat we die nooit zouden overnemen.
En toch gebeurt het.
Onlangs las ik iets over de Noord-Amerikaanse spotlijster. Nooit van gehoord.
De meeste vogels leren als jonge vogel hun lied en zingen dat de rest van hun leven.
De spotlijster niet. Die blijft luisteren. Naar andere vogels, maar evengoed naar alles wat hij onderweg tegenkomt. Een krakend hek. Een piepende machine. Een autoalarm. Sommige mannetjes verzamelen zo meer dan tweehonderd verschillende melodieën, die ze later door elkaar zingen alsof ze altijd al van hen geweest zijn. Biologen denken dat zo'n indrukwekkend repertoire de vrouwtjes moet imponeren. Bovendien verraadt het dat zo'n mannetje al heel wat jaren heeft overleefd.
Dat zal allemaal wel.
Maar veel mooier vind ik het idee dat zo'n vogel zijn hele leven blijft luisteren. Dat hij blijkbaar nooit denkt dat hij alles al gehoord heeft. Dat er, zelfs als hij al een indrukwekkend repertoire heeft opgebouwd, onderweg toch altijd nog iets nieuws te ontdekken valt.
Eigenlijk is dat best een geruststellende gedachte.
Dat je ook op je zeventigste nog iets kunt oppikken. Een nieuw inzicht. Een andere manier van kijken. Een woord. Een verhaal. Of gewoon een melodie die je nog niet kende.