Gaat het wel ?
Drie woordjes, haast gedachteloos uitgespuwd, maar tegelijk vol verwachting. Want wat zeg je daarop, als je zelf niet meer goed weet of het eigenlijk nog wél gaat?
Als kankerlijer word je er kampioen in: halve waarheden verpakken als geruststelling. “Ja hoor, alles onder controle.” Je lacht erbij, je vertelt een mop of een flard over een gunstige PSA, je zwaait alsof je net terugkomt van een wandeling in de zon. Niet omdat je graag liegt, maar omdat je graag blijft bestaan zoals vroeger. Zoals zij je willen zien. Niemand wil de stempel “lastig geval” dragen.
De echte waarheid — die ken je maar al te goed. De avonden waarop je lijf niet meer mee wil. De nachten waarin je wakker ligt en denkt: waar ben ik in godsnaam mee bezig? Het masker dat in je eentje afglijdt, en de spiegel die je meedogenloos terugknipoogt. En je weet: er zijn er maar weinigen die echt door dat decorum heen kijken.
Heel af en toe gebeurt het nochtans. Iemand die je aankijkt en blijft kijken. Een stilte die niet meteen gevuld wordt met koetjes en kalfjes. En dan voel je iets knagen onder je ribben: die broosheid die je meestal wegdrukt. Je wil roepen: “Nee. Het gaat niet. Helemaal niet.” Maar je slikt het in, zet je gezicht recht en bromt: “Ach, ’t gaat wel.”
Waarom? Omdat toegeven dat het niet gaat voelt alsof je gefaald hebt. Alsof je de moed kwijt bent, alsof je geen strijder meer bent maar gewoon… moe. En laten we eerlijk zijn: ook op dat kankerforum waar we allemaal zo dapper doen, zijn we stiekem bang om de eerste te zijn die zegt: ik trek het niet meer.
Maar misschien is dat juist de ware moed: durven zeggen dat je het even niet weet. Dat je bang bent, dat je moe bent, dat je het zat bent. En dat iemand dan niet wegrent of de boel gaat relativeren, maar gewoon blijft zitten. Misschien zwijgend, misschien met een hand op je arm. Dan besef je plots: ik hoef dit circus niet alleen te draaien.
Dus ja, het gaat. Soms wel, soms niet. En misschien is dat gewoon menselijk. Achter onze schermen, achter onze glimlach, achter onze kanker.
En soms is de sterkste zin geen “ik red me wel,” maar gewoon:
“Wil je even blijven zitten?”