Er zijn van die dagen dat ik, ondanks alles, blij ben dat ik al zeventig ben. Niet uit fatalisme, wel uit dankbaarheid. Want als ik dan toch dood moet aan kanker – en die kans is dus best reëel – dan liever op het einde van een gevuld leven dan ergens halverwege, zonder afronding, zonder afscheid. Liever na zeven decennia piekeren, proberen en ploeteren, dan in het begin, wanneer alles nog moet beginnen.
Niet dat ik al mijn koffers wil pakken, hoor. Ik geniet nog elke dag van mijn cappuccino, van Mevr willy, van het forum , en van de kleinkinderen. Maar soms, als ik hen zie lachen in de tuin, met vuile knieën van het ravotten – nog even, en dan worden ze te groot voor dat soort onzin – dan slaat mijn hart een slag over.
Want ik vraag me af in wat voor wereld zij straks groot moeten worden. En of wij hen eigenlijk niet iets nalaten dat meer lijkt op een tikkende tijdbom dan op een erfenis.
Je hoort het overal: smeltende ijskappen, immense bosbranden, ecosystemen die kantelen, oorlogen die broeien – en een planeet die steeds meer op drift raakt. En als we niet opletten – en eerlijk: dat doen we niet, of veel te weinig – dan is het tegen 2100 misschien wel vier graden warmer. Vier graden! Dat lijkt op papier een extra dagje terrasweer, maar het verschil tussen een ijstijd en vandaag is óók maar zoiets. En in plaats van mammoeten en gletsjers krijgen we dan hittegolven, droogte, hongersnood, migratie en gedonder. Van Parijs tot Pretoria. Of van Wommelgem tot Wladiwostok.
En zo zit ik hier, met alweer een afgekoelde cappuccino, terwijl ik naar buiten kijk en zie hoe de bomen zich klaarmaken voor een zomer die opnieuw té heet belooft te worden. En ik vraag me af: ben ik gewoon een ouwe doemdenker geworden? Een wandelend archief vol zwartgallige scenario’s? Vroeger riep men ook over zure regen, het gat in de ozonlaag, de nucleaire winter. En kijk: dat gat is gekrompen, die regen is nu vooral een nostalgisch radioprogramma, en van de winter rest nog wat kunstsneeuw op Netflix.
Misschien komt het allemaal goed.
Of net niet.
Want ik zie weinig politici met een warm kloppend hart voor de planeet. En veel mensen die het al moeilijk hebben met het sorteren van hun vuilnis. Laat staan met het opgeven van vliegvakanties of het weerstaan van de zoveelste plastic prul. En nee, ik ben zelf geen haar beter. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om het gevoel dat we allemaal op een trein zitten die maar blijft doorrijden, ook al weten we dat het spoor eindigt aan een ravijn.
En stel nu eens dat ze tegen dan kanker kunnen genezen. Dat al die pillen, stralingen en hormonen overbodig worden. Dat niemand nog kaal hoeft te worden of in de knoop ligt met zijn PSA. Wat heb je eraan als je dan leeft op een planeet waarvan de helft onleefbaar is? Waar je huis moet drijven op zes meter water, en je je adem moet inhouden telkens je naar buiten gaat?
Dan ben je genezen, maar kan je nergens meer naartoe. Dan ben je van de regen in de drup.
Soms denk ik: misschien moet ik het hen eens schrijven, die kleinkinderen. Geen grote aanklacht, geen drama. Gewoon een brief. Met liefde.
“Het spijt me. We hebben het niet goed gedaan. Maar jullie kunnen het misschien beter. Jullie móéten het beter.”
En op andere dagen zwijg ik. Dan drink ik mijn cappuccino. Lees ik een blogje van iemand hier op het forum. Of ik schrijf iets.
En hoop ik in stilte.
Want hopen, dat kan ik nog.
Zelfs als de lucht al een beetje naar drup begint te ruiken.