Knobbels

Gepubliceerd op 8 november 2025 om 07:44

Wie al wat langer in Wommelgem woont, weet dat het dorp twee gezichten heeft.
Je hebt het gewone, het herkenbare: de straten, de bakker, het verkeer dat altijd gehaaster lijkt dan nodig is.
Maar daarnaast is er dat andere Wommelgem. Een Wommelgem dat zich verstopt achter hagen, achter oude kavels, in kieren van vergeten wandelpaden. Een netwerk van kleine snippers groen dat niet luid roept maar zacht ademt, of misschien gewoon wacht. Waarvan niemand goed weet waarop.

Door de jaren heen heb ik veel van die plekjes tijdens het joggen stelselmatig ontdekt.. De Beemdkant, ’t Veer, Ertbrugge: stukjes natuur die je niet vindt door ze te zoeken, maar die plots voor je voeten liggen op een ochtend waarop je nochtans dacht alles al gezien te hebben. En telkens hangt er diezelfde vreemd-voorzichtige sfeer, alsof de lucht je wil waarschuwen om niet te achteloos te zijn. Een flard wind die zegt: “Zet uw voet hier niet zomaar neer.”

Vandaag leidde zo’n flard ons naar een nieuwe plek. Op nauwelijks anderhalve kilometer van huis, via een onooglijk smal en schijnbaar onschuldig weggetje . Zo’n doorgang waarvan je voelt dat hij eigenlijk niet voor jou bedoeld is, maar waar niets concreet staat om je tegen te houden. En dus doe je wat je als wandelaar behoort te doen: je stapt verder, alsof je nooit anders van plan was.

Achter dat gangetje lag een vergeten mondstuk van het Schijnpark. Stil. Groen. Maar met een leegte die je niet geruststelt. Geen renners, geen honden, niemand die stoïcijns op een bank naar een smartphone staart. Alleen nat blad, zompige aarde en een beekje dat klonk alsof het ergens een geheim bewaakte.

En pas toen, verderop, zagen we wat het geheim misschien was.

Bomen. Dikke bomen. Oud.
Maar ze stonden er niet gewoon: ze stonden er alsof ze iets wilden laten zien. Stammen vol gezichten — of toch iets dat er akelig hard op leek. Knobbels, bulten, kronkels die als littekens over het hout liepen. Je kreeg de indruk dat, als je lang genoeg keek, er zo een oog open zou gaan. Het soort boom dat je ’s nachts in geen honderd jaar wilt passeren.

Thuis opgezocht natuurlijk. Bastbulten of Burl-knobbels. In de volksmond: Boomkanker. Een woord dat veel te nuchter klinkt voor hoe het eruitzag. En meteen werd me weer duidelijk dat het dus niet alleen wij zijn die met kanker worstelen — bomen doen lustig mee. Ze worden ziek van oude wonden, schimmels, stress, of simpelweg omdat de natuur af en toe een scheut macabere humor bezit. Het leven maakt niemand ongeschonden, zelfs geen wilg.

En dan heb je nog de theorie — ik verzin dit écht niet — dat die bulten veroorzaakt worden door elektromagnetische straling. Wifi, zendmasten, 5G… volgens sommigen krijgen bomen dus knobbels omdat wij te graag Netflix kijken. Als dat waar is, vraag ik me stilaan af of mijn eigen smartphone stiekem ook al bastbultjes aan het kweken is, binnenin ergens naast de batterij.

Toch straalden die bomen iets uit wat ik niet meteen kan benoemen. Niet enkel kracht, eerder een soort koppigheid. Een boomse vorm van volharding: “Ja, ik ben gehavend. En ja, ik blijf staan.”

En vreemd genoeg deed dat me deugd. Alsof ze fluisterden: “Ge zijt niet alleen, jongen. Wij hebben het óók.”

Dus liepen we daar, in dat vergeten stukje Wommelgem, tussen een rij oude, knoestige veteranen. Stuk voor stuk beschadigd. Stuk voor stuk kromgetrokken. Maar toch nog altijd recht genoeg om hun geheim te bewaren.

Op twee kilometer van huis, en toch voelde het alsof we een plek hadden betreden waar we eigenlijk niet hoorden te zijn. Een plek die geduldig had gewacht. En die ons dan maar iets wilde tonen: bomen met knobbels. Bomen met kanker.

En een boodschap die, hoe luguber ook, verrassend troostrijk was.

Want eerlijk?
Als zelfs bomen kanker kunnen hebben en tóch blijven groeien, dan doen wij het nog zo slecht niet, niet ?