Wommelgem door de Eeuwen heen, volgens Mr willy
Soms, als ik ’s morgens door de tuin schuifel, mijn onafschijdelijke cappuccino in de hand, overvalt me een vreemd soort ontzag. Niet voor mijn tuin — die is bescheiden — maar voor wat er onder ligt.
En denk ik: gelukkig leef ik nu. Niet toen.
Het begon allemaal zowat tienduizend jaar geleden: de laatste ijstijd. De zee stond laag. Je kon naar Engeland wandelen zonder ferry. Goeie kuiten en loopschienen waren voldoende. Daarna smolt het ijs en werd deze streek een natte delta waar land en water voortdurend ruzie maakten. Wommelgem lag iets hoger, maar “droog” was hier altijd relatief.
De eerste boeren die hier neerstreken, rond 2600 voor Christus, leefden op hoop en koppigheid. Als je toen ziek werd, had je geen scan, geen bloedwaarde, geen oncoloog. Hooguit een kruidenvrouw, een rookpluim, wat gemompel tegen de geesten en een wortel die bitter smaakte.
Buikpijn die niet wegging? Pech. Niemand wist wat kanker was. Niemand kende het woord. Je stierf gewoon. Men noemde het noodlot.
Eeuwen later kwamen de Menapiërs. Taai volk. Ze bouwden hoog genoeg om droge voeten te houden. Slimme mensen gebruiken hun omgeving. Daar kunnen de hedendaagse bouwpromotoren een lesje aan nemen.
Maar geneeskunde? Dat was nog altijd een mengeling van bijgeloof, kruiden en hopen dat het vanzelf overging. Als je toen een gezwel had, dan had je waarschijnlijk ook meteen een priester bij u staan die zei dat ge iets verkeerd had gedaan in een vorig leven.
Dan kwamen de Romeinen. Zij brachten wel iets wat op geneeskunde leek. Badhuizen. Chirurgische instrumenten. Hippocratische theorieën over lichaamssappen. Als je geluk had, werd er iets weggesneden met een mes dat net niet te roestig was. Verdoving bestond vooral uit stevig drinken en tanden op elkaar.
En toch was dat vooruitgang.
De Franken bleven. Wimmo koos een droge plek en gaf het dorp een naam. Maar als Wimmo toen prostaatkanker had gehad, dan was zijn naam misschien nooit in Wommelinghem geëindigd. Dan was het gewoon: Wimmo was ziek. Wimmo is gestorven. Nieuw hoofdstuk
In de middeleeuwen brandde het dorp regelmatig af. De geneeskunde brandde eigenlijk mee. Bloedzuigers, aderlaten, gebeden, heiligen die u moesten redden. Als je pech had, werd je niet alleen ziek, maar ook verdacht. Want ziekte moest een reden hebben. God, straf, zonde. Iets moest het zijn.
Eeuwenlang bleef het zo. Landbouw, turf, koeien, en mensen die stierven aan dingen die wij vandaag met één scan detecteren. Een knobbel was gewoon een knobbel tot hij u meenam.
En dan, ergens in de twintigste eeuw, besloot Wommelgem carrière te maken. Beton, autosnelweg, fabrieken. En tegelijk begon de geneeskunde écht te versnellen. Röntgen. Operaties. Chemotherapie. Hormonen. Stralen.
Bij de aanleg van de autostrade vond men een V1-bom in de grond. Oude explosieven onder nieuw asfalt.
Ik vind dat een mooi beeld. Want in mijn lijf ligt ook zoiets. Geen bom, maar een woekerend ding dat ze hebben gevonden dankzij machines die honderd generaties voor mij niet hadden.
Zesduizend jaar geleden was deze grond nat en onzeker.
Driehonderd jaar geleden was ziekte een mysterie.
Honderd jaar geleden was kanker bijna een doodsvonnis.
En nu sta ik hier. Met cappuccino. Met een dossier. Met behandelingen. Met bijwerkingen waar ik over kan klagen op een forum.
En als ik in de tuin een plantgat spit, verwacht ik soms een munt of een potscherf. Maar wat ik eigenlijk vind, is iets anders: het besef dat ik leef in de enige periode waarin iemand met mijn diagnose niet gewoon in stilte verdwijnt.
Ik woon op een stapel tijd.
Onder mij liggen zee, moeras, bijlen, brand, asfalt.
In mij zit ziekte.
Maar bovenop dat alles sta ik nog altijd.
Cappuccino, 2026
Mr willy aanwezig.