Er zijn dagen waarop ik dat forum openklap met een lichte weerzin, niet omdat ik bang ben voor mijn eigen miserie, maar omdat ik bijna zeker weet dat er ergens slecht nieuws ligt te wachten. Geen drama, geen uitroeptekens, gewoon dat stille bericht dat zegt: het is weer iemand. Zo’n bericht dat je leest terwijl je denkt dat je er tegen kunt, en dat zich pas uren later vastzet, ergens onder je huid, waar gedachten blijven zitten die geen naam hebben.
Wat me de laatste tijd het meest raakt, is niet de ziekte zelf. Die ken ik ondertussen. Wat me raakt, is hoe snel mensen hier verdwijnen. Hoe iemand jarenlang aanwezig kan zijn — een vaste stem, een herkenbare toon, iemand die je bijna hoort ademen tussen de regels — en hoe die dan wegzakt alsof hij nooit bestaan heeft. Eerst wat reacties. Dan stilte. En daarna niets meer.
Niet uit onwil. Niet uit onverschilligheid. Gewoon omdat dit forum geen wachtruimte is maar een doorlopende gang. Er valt iemand weg en de ziekte schuift al het volgende verhaal naar voren. Alsof ze zelf de moderatie doet en zegt: vooruit, er is geen tijd om stil te blijven staan.
Wie spreekt hier nog over Hanneke? Over Ron? Monumenten op het Forum. Namen die ooit gewicht hadden, waar je rekening mee hield. Mensen die hier jarenlang als bakens stonden en nu alleen nog bestaan als je doelbewust naar beneden scrollt, diep het archief in. Herinnering vraagt moeite, en meestal hebben we daar de energie niet meer voor.
En dan komt die gedachte waar ik me tegen verzet, maar die blijft terugkomen: hoe lang zou het bij mij duren? Een week? Twee? Misschien iets langer omdat ik te veel schrijf, omdat ik te aanwezig ben. Maar uiteindelijk verdwijnt alles. Ook stemmen. Ook woorden.
Het wrange is: dit besef is niet nieuw voor mij. Jaren geleden begon ik al eens aan een boek. Geen egoproject, geen levenswerk, maar een soort parallel universum, een plek waar al die mensen zouden blijven bestaan. Hun woorden, hun toon, hun moed. Een herinneringsruimte voor lotgenoten die hier jarenlang rondliepen en intussen verdwenen zijn.
Dat boek is nooit afgeraakt. Niet omdat het onbelangrijk was, maar omdat het te zwaar werd. Omdat elk hoofdstuk tegelijk een afscheid was. Omdat je niet onbeperkt kunt blijven vasthouden zonder zelf moe te worden. Dus bleef het liggen. Een halfopen map. Een stille belofte.
En nu, ironisch genoeg, komt het weer boven. Niet uit ambitie, maar uit verzet. Omdat het me te hard schuurt dat verdwijnen hier zo efficiënt gaat. Omdat ik voel dat deze mensen meer verdienen dan een laatste post en een paar reacties die na enkele dagen oplossen in de stroom.
Misschien is dat waarom ik blijf schrijven. Niet alleen om anderen het gevoel te geven dat ze niet alleen staan, maar ook om zelf niet te snel te verdwijnen. Om dat boek opnieuw vast te nemen. Niet om het perfect te maken, maar om het af te maken. Als tegengewicht. Als traagheid in een omgeving die niemand spaart.
Geen monument. Geen standbeeld. Gewoon woorden die blijven liggen.
En als ik dan toch ooit wegzak — want dat zal gebeuren — dan hoop ik dat er ergens, al is het maar in een map of een vergeten boek, nog iets blijft hangen dat zegt:
Ze waren hier.
Ze telden.
En iemand heeft het onthouden.