Ik heb nooit geweten hoe leeg een mens kan zijn
tot mijn lichaam begon te kraken, traag en koppig
als een oud huis dat elke stap herinnert,
en ik voor het eerst merkte dat er iets bewoog
dat geen gedachte was maar een trilling,
een zacht gerommel dat jaren had gewacht
om eindelijk gehoord te worden.
Ik heb nooit begrepen wat kracht betekent
tot ik ’s nachts achter mijn scherm zat,
met dat koudblauwe licht op mijn gezicht,
en woorden las van mensen
die even gebroken waren als ik,
en toch bleven schrijven
alsof elke zin
een hand was die hen rechtop hield.
Ik heb nooit geweten wat hoop vermag
tot ik zag hoe iemand, half kapot geschreven,
toch nog plannen maakte voor morgen,
en ik voelde hoe in mijn borst
iets koppigs zich oprichtte,
niet warm, niet geruststellend,
maar hardnekkig genoeg om te blijven.
Ik heb nooit geweten wat mededogen is
tot het verdriet van een lotgenoot
zomaar mijn ribben binnenliep
zonder kloppen, zonder uitleg,
en ik merkte hoe mijn lichaam ruimte maakte
voor een stem die niet de mijne was
maar klopte als een tweede hart.
Ik heb nooit geweten wat wanhoop doet
tot ik rechtop in bed zat, koud zweet langs mijn rug,
adem tekort, gedachten te snel,
en wist dat ergens iemand anders
op datzelfde moment
aan dezelfde dunne lucht hing,
even moe, even bang,
en dat juist die gedeelde angst ons overeind hield.
Ik heb nooit geweten wat verlies kan zijn
tot ik weer een naam zag wegvallen van de lijst,
zo stil alsof iemand het licht uitdeed
in een kamer waar ik gisteren nog
iemand hoorde ademen,
en ik achterbleef met een stilte
die te groot was om alleen te dragen.
Ik heb nooit geweten dat ik kon voelen, niet zo,
tot ziekte mijn muren brak
en het forum mijn borstkas openwoelde,
woord per woord,
en ik langzaam een man werd
die niet meer vlucht
voor wat in hem leeft,
omdat anderen het al uitspraken
nog voor ik het zelf durfde.
Ik heb nooit geweten wie ik was
tot ik mezelf herkende in de stemmen van anderen,
in hun angst, hun moed, hun schaamte.
En soms denk ik — terwijl ik dit schrijf —
dat ik al die jaren niet dapper was,
maar gewoon doof.
Dat ziekte geen les gaf,
maar het volume opdraaide
tot ik niet meer kon wegkijken.
Laat, ja.
Maar niet omdat ik te traag was —
maar omdat niemand mij ooit geleerd had
hoe voelen klinkt.