Zomaar een hersenspinsel
De winter is er. Niet buiten, want buiten kan ik nog doen alsof het gewoon een seizoen is dat zijn werk doet, maar binnenin, in dat deel waar het licht al om vier uur besluit dat het genoeg geweest is en ik eigenlijk ook. Tegen de namiddag voel ik het al schuiven. De dag heeft zijn argument gemaakt en daarna blijft er iets hangen wat niet echt avond is, maar ook geen dag meer. Een soort tussenruimte waarin je merkt dat je lichaam niet meer alles vanzelfsprekend vindt.
’s Nachts wordt het eerlijker. Dat is het woord, denk ik. Niet dramatisch, niet huilerig, gewoon eerlijker. Het huis slaapt. Mevr willy ademt ergens in het donker, rustig. Ik zit achter mijn pc, het blauwe licht op mijn gezicht, en ik hoor het zachte gezoem van dat ding alsof het mij eraan herinnert dat er nog iets draait, al is het maar een ventilator.
Overdag kan ik mij nog verschuilen achter ritme. Afspraken. Bloedwaarden. Schema’s. Praktische dingen waar je niet te veel bij moet voelen. Er is altijd wel iets dat gemeten, geregeld of opgevolgd moet worden. Dat geeft structuur, zelfs als je die niet gevraagd hebt. Maar ’s nachts is er geen schema. Geen grafiek. Alleen gedachten die niet eens luid zijn, maar koppig. Ze komen niet binnen als paniek, ze zetten zich gewoon neer. Alsof ze zeggen: wij hebben tijd.
En dan beginnen ze over wat trager is geworden. Over hoe vanzelfsprekendheid een woord is uit een vorig hoofdstuk. Over hoe de toekomst niet verdwenen is — nee, dat zou te simpel zijn — maar smaller aanvoelt, alsof je erdoor moet met ingehouden adem, om geen verkeerde beweging te maken. Alsof elke droom eerst langs een soort stille controlepost moet waar iemand vraagt: “En is dit nog realistisch, meneer?”
Ik zit dan te typen. Niet om iets groots te schrijven. Niet om literatuur te maken. Gewoon om niet helemaal alleen te zitten met wat er onderhuids beweegt. Schrijven wordt geen kunst maar onderhoud, zoals een oude fiets die je af en toe moet smeren omdat hij anders begint te piepen. Ik schrijf om het piepen voor te zijn.
Soms staar ik naar het scherm en weet ik niet eens wat ik wou zeggen. Dan denk ik: zie je wel, het is op. Niet de woorden, maar iets anders. Iets wat vroeger vanzelf stroomde en nu eerst langs omwegen moet. Misschien is dat ouder worden. Misschien is dat gewoon leven. Misschien is dat wat er gebeurt als je lichaam je ooit heeft toegesproken in een taal die je liever niet had geleerd, en je sindsdien weet dat niets nog helemaal neutraal is.
Er komt altijd een moment dat ik voel: nu herhaal je jezelf. Elke zin draagt hetzelfde gewicht als de vorige. Er komt niets nieuws meer bij, alleen variaties op hetzelfde thema. Dan schuif ik de stoel achteruit. Niet opgelucht. Niet verslagen. Gewoon klaar.
Mijn hand blijft even boven de muis hangen. Alsof ik twijfel of ik dit gesprek met mezelf wel mag onderbreken. Alsof ik weet dat het niet echt stopt, alleen van kamer verandert. Ik klik. Het scherm dooft. Het donker wordt voller, omdat er niets meer terugspreekt.
In die paar seconden voel ik het het duidelijkst. Geen verdriet in hoofdletters. Geen grote woorden. Gewoon een aanwezigheid. Alsof iets in mij zegt: we zijn er nog. En we gaan ook morgenavond weer zitten, jij en ik.
Ik sta op, wandel traag naar de trap. De winter blijft waar hij is. In het huis. In mij. Niet vijandig. Niet dramatisch. Gewoon aanwezig. .
En ergens in mij blijft iets natrillen, niet luid genoeg om me wakker te houden, maar wel aanwezig genoeg om te weten: dit gaat niet weg met slapen.
Het wacht gewoon tot morgenavond.