Het schuurt

Gepubliceerd op 7 februari 2026 om 19:30

Ten huize Willy wordt weinig over kanker gepraat.

Nou, we praten wel hoor. Over afspraken. Over bloedwaarden. Over behandelingen, bijwerkingen, wat praktisch is en wat niet. Dat lukt. Dat mag.
Maar over de andere dingen — de angst, het wat als, de onzekerheid die zich ’s nachts aan je vastbijt — daar zit een dunne muur. Geen ruzie, geen conflict. Gewoon: hier niet. Dit liever niet.
Dus dáárover wordt niet gepraat. Of toch heel weinig. Té weinig.

En dan zit ik hier, naast mijn cappuccino, de mok warm in mijn handen geklemd, terwijl het vanbinnen giert. Niet luid, niet spectaculair, maar als een constante druk achter het borstbeen, iets dat geen kant op kan.
Praten is voor mij geen behoefte. Het is noodzaak. Onderhoud. Zoals ademen.
En wie zegt dat je ook stil kan ademen, heeft het nog nooit geprobeerd.

Het wrange is: ik héb plekken om te praten.
Ik heb een forum. Een appgroep. Mensen bij wie ik alles kan neerleggen wat thuis te groot of te scherp is. Daar kan ik parkeren. Ventileren. Zinnen afmaken zonder ze eerst te wegen. Soms is één zin genoeg — “vandaag is het weer zo’n dag” — en weet iemand precies wat ik bedoel.
En ja — dat is geluk. Dat weet ik. Dat besef ik elke dag.

Zij heeft dat niet. Zij heeft geen groep, geen uitlaatklep, geen vangnet, geen plek waar ze haar angst kan laten vallen zonder dat die meteen bij mij terugkomt. Zij heeft alleen mij.
En precies dat maakt alles zo scheef.

Want wat ik buitenshuis kwijt kan, blijft bij haar hangen.
Wat ik doseer om haar te sparen, stapelt zich bij haar op.
En zo draaien we rondjes: ik zwijg hier om haar niet te belasten, zij draagt alles omdat er niemand anders is, en uiteindelijk zitten we allebei vast in een stilte die zogezegd beschermt, maar ondertussen knelt.

Zij wil die woorden allemaal niet horen. Niet uit onverschilligheid — integendeel.
Maar wat gezegd wordt, wordt echt. Wat ik uitspreek, ziet zij meteen voor zich. Scans. Achteruitgang. Het einde, altijd dat einde dat als een schaduw meeloopt.
Waar ik rust vind in benoemen, voelt zij vooral dreiging. Dat begrijp ik. Dat weet ik zelfs.

Maar begrijpen maakt het niet minder pijnlijk.

Dus lopen we op eieren.
Ik weeg zinnen af nog voor ik ze uitspreek. Is dit nog oké? Gaat dit te ver? Moet ik dit inslikken?
En zij voelt feilloos wat ik weer heb ingehouden, wat ergens blijft zweven zonder naam.

Het moeilijke is dat niemand fout zit. Er valt niets uit te praten. Geen schuld, geen gelijk. Alleen twee mensen die elk op hun manier proberen te overleven met iets dat te groot is voor één strategie.

Liefde is hier niet warm of geruststellend.
Liefde is volhouden. Inhouden. Ruimte laten, ook als die ruimte pijn doet.
Dat klinkt misschien mooi op papier, maar van dichtbij is het vooral vermoeiend. Stroef. Schurend.

We doen ons best. Meer kan ik daar eerlijk gezegd niet van maken.
Maar dikwijls voelt het aan als niet genoeg.