“Het verdriet om wie we verliezen is groot, maar het weegt nooit zwaarder dan de vreugde dat we hen ooit mochten gekend hebben.”
Wij, kankerlijers, leven in een bijzonder landschap. Een landschap waarin pijn en afscheid geen uitzonderingen zijn, geen ongelukjes die je eens overkomen en daarna netjes kunt verwerken. Ze zitten verweven in het dagelijkse weefsel van onze tijd. In scans. In wachtkamers. In telefoontjes die beginnen met “ik moet je iets zeggen” en waarbij je, nog voor de zin af is, al weet dat je had moeten blijven zitten.
Afscheid is bij ons geen slothoofdstuk. Het is een terugkerend thema. Soms zacht, soms brutaal, maar altijd aanwezig, als achtergrondruis die nooit helemaal uitgaat.
Deze week verloor ik twee vrienden. Goede vrienden.
Martin is gisteren gestorven.
Timo wordt vandaag begraven.
Geen verre kennissen. Geen namen in een lijst. Geen vage online contacten die je probleemloos kunt missen. Maar mensen met een stem in mijn hoofd, met humor, met eigenaardigheden, met zinnen die alleen zij zo konden formuleren. Mensen die ik niet meer kan appen. Niet meer kan plagen. Niet meer onverwacht kan tegenkomen in mijn berichtenlijst. Mensen van wie ik nu, meerdere keren per dag, nog denk: dat moet ik hen straks eens vertellen — en die gedachte dan even later opnieuw moet inslikken.
En dan duikt die zin weer op. In mooie letters. Goedbedoeld. Gladgestreken. Dat het verdriet nooit zwaarder weegt dan de vreugde dat we hen ooit hadden.
Maar pfff… is dat echt zo?
Of is het vooral iets wat we zeggen omdat de stilte anders te scherp wordt?
Want eerlijk is eerlijk: op sommige momenten weegt het verdriet wél zwaarder. Zwaarder dan herinneringen, zwaarder dan dankbaarheid, zwaarder dan welke troostformule ook. Dan is er gewoon gemis. Leegte. Een naam die je niet meer ziet oplichten in je berichtenlijst. Een stem die je nooit meer hoort.
En dan betaal je gewoon de rauwe prijs van verbonden geweest zijn.
Misschien is dat soort zinnen vooral bedoeld voor toeschouwers. Voor mensen die aan de zijlijn staan en iets willen zeggen zonder zelf in dat landschap te wonen. Voor hen is zo’n quote een bruggetje over ongemak. Voor ons is het hoogstens een richtingaanwijzer, vaag in de mist.
En toch… ik betrap mezelf erop dat ik die tekst koester. Dat ik hem niet weggooi. Dat ik hem, voorzichtig, bijna schoorvoetend, een plek geef in mijn achterzak. Als een muntstuk dat ooit van pas kan komen. Niet omdat ik hem geloof. Nog niet. Maar omdat ik hoop dat er een dag komt waarop hij minder wringt. Waarop herinneringen niet alleen pijn doen, maar ook zacht kunnen gloeien, zonder meteen te steken.
Maar niet vandaag.
Vandaag mis ik hen gewoon ongelooflijk hard.
Reactie plaatsen
Reacties