Vorige week zondag zijn we nog eens met vrienden naar den Beulebak geweest.
Zo’n plek waar de tijd een beetje is blijven hangen tussen twee pintjes en een stoffige affiche van een optreden uit 1998, en waar je bij het binnenkomen spontaan het gevoel krijgt dat hier nog écht geleefd wordt, in plaats van gemanaged, geoptimaliseerd en geprijsd per minuut zoals in de moderne horeca.
Voor de nieuwe lezers: den Beulebak is zo’n klein muziekcafé in hartje Antwerpen, waar een paar keer per jaar een lokaal evenement georganiseerd wordt, meestal een groep die haar bekendheid wat wil opkrikken, of gewoon omdat ze graag spelen.
Spotgoedkoop ook. Twaalf euro inkom. Een pint voor 1,70. Koffie voor twee euro. Dat zijn prijzen waar ge tegenwoordig bijna nostalgisch van wordt, alsof ge per ongeluk in een parallel universum zijt beland waar de inflatie onderweg haar jas verloren is.
Maar blijkbaar is dat voor sommigen nog te veel.
Naast mij aan de bar zat een kerel die een Westmalle Dubbel bestelde. 3,50 euro. En dat vond hij dus te duur.
Een hele discussie, serieus waar, met de toog alsof het om een vastgoedtransactie ging. Uiteindelijk mocht hij hem hebben voor drie euro. Drie.
En geloof het of niet: een Nederlander.
Nou, ik zeg het met alle liefde hoor — want 95% van mijn lotgenoten zijn Nederlanders en dat zijn stuk voor stuk schatten van mensen — maar ge begrijpt wel waarom wij Belgen die oude moppen over “gierige Hollanders” nog altijd niet volledig met pensioen hebben gestuurd. Zèèèg. Een Westmalle Dubbel afpingelen tot op 3 € … dat is bijna cultureel erfgoed.
Het eerste optreden, van de Bully Boys, was echt schoon.
Ruige zeemansliederen, gebracht door een stel bekende knullen: Jenne Declair, zoon van de beroemde Jan, en Hans Van Cauwenberghe, die in een eindeloos aantal tv-reeksen heeft meegespeeld.
En dan zit ge daar, in zo’n klein zaaltje, en dan denkt ge: wat doen die mensen hier eigenlijk?
Niet voor het geld, dat kan ik u verzekeren.
Ik heb het — beroepsmisvorming van een man die graag rekent met cappuccino in de hand — even uitgerekend: de opbrengst per kop moet iets van een honderd euro geweest zijn. Het zout op de patatten verdienen ze daar niet mee, zoals wij dat hier zo schoon zeggen. Zou de TV dan zo slecht betalen ?
De tweede groep… tja.
Laat ons diplomatisch blijven en zeggen dat het een muzikaal equivalent was van een warm dekentje op een zondagmiddag.
Er zat zelfs een knul op de eerste rij die de hele tijd lag te slapen. Echt waar. Front row. Recht voor de zangeressen. Ik heb er zelfs een foto van gemaakt, maar die post ik niet. Stel u voor dat het een kankerlijer is die hier meeleest — dan zit ge daar als blogschrijver iemand publiekelijk te beschamen terwijl die mens misschien gewoon doodop was van behandelingen. Nee, sommige dingen hou ik beter voor mezelf.
Maar ik heb mij wel afgevraagd wat die zangeressen gedacht moeten hebben.
Ge staat daar uw ziel uit uw lijf te zingen, en op één meter afstand zit er iemand horizontaal te knorren alsof hij auditie doet voor een winterslaap.
Al bij al: een heerlijke namiddag.
Echte muziek, eerlijke prijzen, wat gekibbel aan de toog, en dat typische warme geroezemoes van een café waar niemand perfect is en dat ook niet hoeft.
De terugweg was minder romantisch.
Een kilometertje stappen naar de tram, door een Antwerpse sneeuwbrij die niet meer op sneeuw leek maar op een soort grijze slijksoep waarin elke stap een kleine onderhandeling werd tussen evenwicht en waardigheid.
En toch, terwijl ik daar door die slijkmassa stapte, dacht ik: dit soort namiddagen zijn goud waard.
Geen groot spektakel, geen glitter, geen perfect geluid. Gewoon mensen, muziek, een pint, een discussie van vijftig cent en een slapende front-row fan.
En ergens, tussen die natte sneeuw en de tramhalte, voelde dat leven verrassend echt aan.
Klein. Onnozel misschien. Maar echt. En dat is tegenwoordig al bijna een luxe.