We waren dus twee dagen weg met het campertje.
Zo’n uitstap waarvan ge op voorhand denkt: dat zal ons eens deugd doen, een frisse neus, een ander uitzicht, even weg van het gewone gedoe. Het had, zo meen ik me uit een vorig blog te herinneren, iets te maken met een opkomend lentegevoel.
Nou, een frisse neus hebben we gekregen.
Letterlijk. Bijna ingevroren zelfs.
Mooi weer, dat wel. Zo’n staalblauwe lucht, zonnetje erbij, het soort weer dat er op foto of achter glas gezond en vrolijk uitziet. Maar in werkelijkheid: min vijf ’s nachts, overdag niet boven het vriespunt en een gure oostenwind die overal binnendringt, ook daar waar ge hem echt niet wilt hebben.
Met andere woorden: gewoon koud. Heel koud. Onnozel koud.
En ja, het probleem lag vooral bij ons hoor.
Die lichamen die niet meer dezelfde naïeve heldhaftigheid vertonen als pakweg twintig, dertig jaar geleden. Toen sliepen we in een tochtige tent, werden wakker met rijp op onze wenkbrauwen en zeiden we stoer: “Amai, dat was plezant.”
Nu liggen we in een degelijk campertje, met matras, dekens, pyjama en nog een extra deken tegen de metalen wand, ons afvragend waarom we deze Siberische expeditie eigenlijk gepland hebben.
Pfff.
De nacht is nog niet zo erg.
Het is vooral de ochtend.
Dat moment waarop ge wakker wordt en uw lichaam eerst een soort vergadering houdt. Rug: stijf. Voeten: koud. Handen: twijfelachtig.
En ge ligt daar, moed verzamelend, en denkt: wanneer ga ik nu opstaan… of ga ik eigenlijk wel opstaan?
Zeker voor Mevr willy is dat dan nog een heel proces van rustig op gang komen, voorzichtig aankleden, zich verzorgen, langzaam warm worden, terwijl ik ernaast zit als een half ontdooide diepvrieskip die doet alsof alles onder controle is.
Maar we hadden geluk dat we in Andijk bij een lieve vriendin konden overnachten.
Een warm huis, een echte vloer, muren die geen kou uitstralen alsof ze persoonlijk beledigd zijn door uw aanwezigheid — dat voelt dan plots als pure luxe.
Gek eigenlijk hoe snel een simpel bed en een beetje warmte kan aanvoelen als een vijfsterrenhotel wanneer ge uit een vriescamper komt.
En daar, met een warm kopje en ontdooiende vingers, kwam de gedachte die ik eigenlijk liever niet had gehad: misschien zijn winterse rondtrekjes niks meer voor de Willys, die bij het minste zuchtje oostenwind al beginnen te rillen nog vóór ze buiten zijn.
Niet dat we geen goesting meer hebben.
Integendeel. Het weggaan, het onderweg zijn, dat kleine avontuur met het campertje, dat blijft iets schoon.
Maar de winter… de winter is geen seizoen meer, het is een test.
Een test van botten, van doorbloeding, van geduld en van hoeveel dekens een mens realistisch kan meesleuren zonder dat het een verhuis wordt in plaats van een uitstap.
En toch, toch blijft het leuk.
Twee wat oudere, wat krakkemikkige knarren, dik ingepakt, dapper op pad, alsof we nog altijd dezelfde reizigers zijn als vroeger, alleen met meer laagjes, meer voorzichtigheid en wat meer gefoeter op de temperatuur.
Misschien is dat het verschil. Niet dat we niet meer kunnen reizen, maar dat we de winter niet meer romantiseren.
De winter is geen avontuur meer. De winter is logistiek: dekens, warmte, opstaan met beleid.
En ik begin meer en meer te begrijpen waarom trekvogels in de winter naar warmere oorden vliegen.
Want eerlijk gezegd… die beestjes hebben groot gelijk. Pfff.
PS
Nou, intussen zijn we terug thuis en is het hier al de hele tijd pijpenstelen aan het regenen. Dan toch liever een frisse neus.