En nu hebben we een paar dagjes Nederland gepland.
Morgenochtend vertrekken we. Dikke trui en pyjama liggen al klaar, want in dat campertje is het ’s nachts geen hotel maar eerder een rijdende koelkast. Gisteren is er nog een flink pak sneeuw gevallen en als ik eerlijk ben, voelt het alsof de winter nog lang niet uitgepraat is en er ergens, buiten mijn gezichtsveld, nog een hele diepvries vol gure dagen op ons ligt te wachten, geduldig, koppig en perfect op tijd om mijn voorbarige lentegevoel weer netjes in te vriezen.
Maar toch, die eerste streepjes zon, dagen die terug iets langer worden, dat doet iets. Iets onredelijks, iets dat zich niks aantrekt van kalenders, weerberichten of gezond verstand. Laat dat licht zo een half uur binnenvallen en mijn hoofd besluit prompt dat de winter voorbij is, dat de wereld opnieuw begint en dat we collectief richting lente schuifelen, alsof iemand bovenaan een verborgen schakelaar heeft omgezet.
Ik ben een voorjaarsmens, daar valt niet aan te tornen. Mocht reïncarnatie bestaan, dan zie ik mijzelf nog het meest terugkomen als een dier met een degelijke winterslaap, eentje dat half september beleefd “tot later” zegt tegen de wereld en zich pas in mei weer eens uitrekt, voorzichtig, wantrouwig, om te zien of het leven weer de moeite waard is.
Begrijp me niet verkeerd: de winter heeft zijn rituelen. De waterkoker die sissend zijn werk doet, een radiator die zacht ritselt alsof hij een geheim fluistert, en daar ergens tussenin Netflix, dat braaf de plaats inneemt van alles wat buiten niet gebeurt. Thrillers waarin het kwaad al vanaf minuut drie zo opzichtig kwaad is dat je er bijna sympathie voor krijgt, met schaduwen die over parketten glijden en gordijnen die onheilspellend bewegen alsof zelfs de stof weet dat er iets niet pluis is. Ik kan daar, tegen beter weten in, nog van genieten ook.
Maar het blijft surrogaatvreugde. Plaatsvervangend leven, netjes ingepakt in pixels en dekentjes.
De lente daarentegen… dat is andere koek. Dan wordt het hoofd lichter zonder dat er een pil aan te pas komt, en het lichaam vergeet even dat het moe hoort te zijn. Dan wil je weer buiten, tussen de mensen, naar dat park, naar die vijver waar eenden plots weer rondvaren met een sliert gele donsballetjes achter zich aan alsof het kleine zonnetjes op het water zijn. De lucht wordt zacht, bijna eetbaar, als een rijpe perzik, en zelfs koeien met hun eeuwige, melancholische blik krijgen iets poëtisch, ondanks het feit dat ze volgens de Boerenbond nog altijd even enthousiast mest en zure regen produceren als in januari.
En ja, het woord “rotkanker” weegt altijd even zwaar , maar met nét iets minder lood i.Alsof de lente geen genezing brengt — zo eerlijk moeten we blijven — maar wel een beetje draagkracht. Een soort seizoensgebonden genade, zou je kunnen zeggen. De behandelingen blijven dezelfde, de vermoeidheid ook, de scans wachten niet op beter weer, maar toch… het dealen ermee gaat een fractie makkelijker wanneer de wereld zelf niet meer grijs en dichtgetrokken is.
Alsof het leven fluistert: vooruit, nog even volhouden, het wordt weer lichter.
En dan begrijp ik ineens waarom zoveel dichters het groen en het herleven van de natuur zo teder kunnen beschrijven: niet als groot spektakel, maar als een zachte herneming, een bijna bescheiden terugkeer van hoop in kleine dingen. Een boom die uitloopt. Een zon die langer blijft hangen. Een mens die, ondanks alles, weer even opkijkt.
Daar zit ik dus op te wachten.
Niet op mirakels.
Niet op grote omwentelingen.
Gewoon op dat moment waarop het licht terugkeert, en zelfs die rotkanker, heel even, iets minder allesoverheersend aanvoelt.
Amen.
PS
En ja , we zijn dus een dag of 2-3 uit de lucht
Reactie plaatsen
Reacties