Stel je een kasteel voor. Groot, koud, veel trappen, en een kasteelheer die zo trots is dat hij waarschijnlijk zelfs zijn eigen spiegelbeeld met “u” aanspreekt.
Die man heeft één dochter en een plan. Geen liefde, geen gedoe, gewoon netjes uithuwelijken aan een baron drie kastelen verder. Praktisch. Standvastig. En vooral: van standing
Alleen ja… die dochter blijkt niet zo tuk op baronnen met stijve kragen en beleefde glimlachjes.
Die ziet haar toekomst eerder tussen het hooi, bij een knappe boerenzoon met eelt op zijn handen en een hart dat tenminste klopt zonder protocol.
Gevolg: drama. De kasteelheer ontploft. Dochter onterfd.
Boerenzoon op straat, zonder opzeg, zonder brood, zonder iets.
En daar loopt hij dan, die kasteelheer. Door zijn zalen. Verbitterd.
Gekrenkt in zijn adel, wat blijkbaar nog erger is dan gekrenkt in zijn hart.
De dochter verdwijnt met haar boerenzoon en leeft ergens in diepe armoede, zo’n bestaan waar romantiek vooral bestaat uit samen niet verhongeren, en waar liefde zich meer uit in volhouden dan in mooie woorden.
Tot de boerenzoon sterft. Gewoon. Weg.
En zij blijft achter, met een kind, en een leven dat plots nog stiller wordt.
De oude kasteelheer hoort het, maar blijft koppig.
“Mijn dochter bestaat niet meer,” zoiets. Klassiek kasteelgedrag, koppigheid met een familiewapen erop.
En dan wordt hij ziek.
Niet een beetje, maar zo’n ziekte, leukemie of zoiets, die ineens alles kleiner maakt: titels, kastelen, trots.
Plots is die grote, machtige man afhankelijk van iets heel eenvoudigs. Bloed.
En laat nu net die verstoten dochter de enige zijn die kan helpen.
Ze komt terug. Zonder drama, zonder verwijten. Gewoon. Doet wat moet. Geeft bloed. Redt zijn leven.
En zoals dat in zulke verhalen gaat, gaat het zelf ook maar kantje boord. Bleek, zwak, bijna mee onderuit.
Maar ze overleeft. Nipt. Zoals dat hoort in een verhaal dat toch nog een hart wil hebben.
De kasteelheer, intussen een stuk kleiner in zijn hoofd dan in zijn kasteel, begint eindelijk te denken. Traag, schoksgewijs, alsof dat denken jaren heeft stilgelegen.
En dan ontdekt hij dat er ook nog een kleinkind rondloopt.
Zijn kleinkind. Dat hij niet eens kende.
Toevallig is het kerst. Natuurlijk is het kerst. In kasteelromans ontdooien harten zelden op een gewone dinsdag.
En daar zitten ze dan.
De dochter. Het kind. En een oude man die stilaan beseft dat koppigheid vooral jezelf treft.
Het kasteel is nog altijd even groot, even koud, even statig.
Alleen… er klinkt weer leven in de gangen.
Is dat geen mooie kasteelroman? Eerst drama, dan armoede, ziekte, bijna-dood, verzoening, een kind dat plots alles zachter maakt — en ergens tussendoor een oude man die eindelijk leert wat hij veel eerder had kunnen weten.
En dat zou ik dus graag nog eens schrijven, zo’n echte kasteelroman, zo'n tranentrekker met veel emotie, een beetje meligheid en een groot hart dat op het einde toch breekt en weer dichtgroeit.
Maar ja.
In dat arme hoofd van mij draaien er tegelijk al genoeg verhalen rond, al dan niet niet verzonnen, en die nemen meer plaats in dan eender welk kasteel ooit zou kunnen.
Dus voorlopig blijft het bij dit soort hersenspinsels.
Jammer eigenlijk
Reactie plaatsen
Reacties