Ockhams Scheermes

Gepubliceerd op 14 april 2026 om 06:04

Ockhams scheermes (Latijn: lex parsimoniae, de wet van de spaarzaamheid) is de stelling dat wanneer er verschillende hypothesen zijn die een verschijnsel in gelijke mate kunnen verklaren, die hypothese gekozen moet worden die de minste aannames bevat en het kleinste aantal entiteiten veronderstelt.
Het is een principe uit de kennistheorie dat wordt toegeschreven aan de 14e-eeuwse Engelse filosoof Willem van Ockham, een franciscaner monnik.

In lekentaal betekent dit dat als er voor iets meerdere verklaringen mogelijk zijn, begin dan met de simpelste. Niet de meest dramatische. Niet degene waar meteen rampscenario’s bij horen. Gewoon de meest voor de hand liggende.
Als er een gat in uw voorruit zit, is de verklaring "er is een steen tegenaan gevlogen" aannemelijker dan "een alien heeft met een laser geschoten", aangezien de eerste verklaring minder onbewezen aannames vereist

Op papier klinkt dat verstandig. Rustgevend zelfs.

Tot je het moet toepassen op je eigen hoofd.

Want ik stel mij soms voor dat die brave Willem van Ockham hier eens naast mij aan tafel zou zitten, met zijn pij en zijn wijze blik, terwijl ik hem uitleg hoe het eraan toegaat in een hoofd dat ooit het woord “kanker” heeft horen vallen. Ik vermoed dat hij dan een beetje bedenkelijk zou kijken naar al die mooie theorieën van hem, alsof hij zelf ook zou beseffen dat hij het misschien nét iets te eenvoudig heeft voorgesteld.

Want ja, Willem, in theorie heeft die gelijk. De simpelste verklaring is vaak de juiste. Alleen moet je eens proberen dat toe te passen wanneer je het al eens hebt meegemaakt dat de simpelste verklaring fout bleek te zijn. Wanneer een onschuldig pijntje achteraf toch geen banaliteit was. Wanneer een vermoeidheid geen vermoeidheid bleek, maar een voorbode van iets dat uw leven plots in twee stukken snijdt: vóór en na.

Vanaf dat moment verandert er iets in een mens. Niet zichtbaar, niet meetbaar, maar hardnekkig aanwezig.

Je wordt wantrouwiger tegenover uw eigen lichaam. Niet hysterisch, niet paniekerig — al voelt het soms wel zo — maar voorzichtig, op een manier die vroeger niet nodig was. Je lijf wordt geen vanzelfsprekendheid meer, maar een systeem dat je voortdurend in het oog houdt, alsof je een oude motor hebt die ooit eens serieus in de prak is gereden en waarvan ge nooit meer zeker weet wanneer er opnieuw een boutje loskomt.

En dan komt Ockham met zijn scheermes.

Snij weg wat niet nodig is, zegt hij.

Maar het probleem is dat, eens je kanker hebt gehad, niets nog echt overbodig lijkt. Elke gedachte voelt plots gerechtvaardigd. Elk vermoeden lijkt een mogelijke waarschuwing. Je hoofd wordt een soort bewakingspost waar je liever één keer te veel alarm slaat dan één keer te weinig.

En dus zit je daar, ergens vroeg op de dag, met een kop cappuccino in de hand en een hoofd dat al bezig is nog voor de zon goed en wel op gang is gekomen. Je probeert braaf te beginnen bij de simpelste verklaring — verkeerd gelegen, slechte nacht, beetje ouder worden — maar ergens blijft er een stemmetje fluisteren dat het misschien toch meer is.

Niet omdat ge dramatisch zijt, maar omdat ge geleerd hebt dat het soms wél meer was.

En dat is het soort kennis waar geen enkel scheermes makkelijk tegenop kan.

Misschien is dat wel het echte gevecht: niet tegen het pijntje zelf, niet tegen de vermoeidheid, maar tegen het wantrouwen dat zich langzaam in uw denken heeft genesteld. Dat kleine, hardnekkige idee dat het leven zich niet altijd houdt aan logica, en al zeker niet aan filosofische regels uit de middeleeuwen.

Toch blijf ik dat scheermes ergens bewaren.

Niet omdat ik er blind in geloof, maar omdat het soms helpt om de eerste wilde gedachte een beetje bij te snijden. Niet perfect. Niet definitief. Maar genoeg om te vermijden dat elk klein signaal meteen uitgroeit tot een doemscenario.

Want als ik één ding geleerd heb, dan is het dit: het ergste denken is vermoeiender dan veel pijntjes samen.

En daar heeft zelfs een oude franciscaner monnik geen pasklaar antwoord op.