Er zijn van die plekken op aarde waarvan ge onmiddellijk voelt dat ze een bijzondere geschiedenis moeten hebben. Niet omdat er een bordje staat met uitleg, of omdat een gids met een pet en een fluitje u daarheen loodst, maar gewoon omdat de naam alleen al iets losmaakt in het hoofd.
Zo stonden we daar dus, ergens midden in de Loonse en Drunense Duinen, met een hoop zand in onze schoenen en een lichte kortademigheid die we gemakshalve maar aan het landschap toeschreven, en we keken omhoog naar wat volgens ons zonder enige twijfel de beroemde Cappuccinoberg moest zijn.
De naam alleen al deed iets met mij. Ge voelt dat onmiddellijk. Dat kan geen toeval zijn. Een berg die zo heet, dat moet een plek zijn waar ooit iets groots is gebeurd. Iets historisch. Iets dat rechtstreeks verband houdt met koffie, gezelligheid en mogelijk een licht overmatige afhankelijkheid van cafeïne.
Volgens de overlevering zouden hier in een ver verleden monniken hebben geleefd die zich volledig hadden toegelegd op het perfectioneren van de cappuccino. Geen gewone koffie, neen. Dat zou te simpel zijn geweest. Deze mannen waren kunstenaars, alchemisten bijna, die met melk en schuim experimenteerden alsof hun zielenheil ervan afhing.
Men zegt dat zij hier, boven op deze duin, bij zonsopgang bijeenkwamen rond een primitief fornuis, waar een koperen ketel stond te pruttelen. De ene monnik maalde bonen met een ernst alsof hij de toekomst van de mensheid bepaalde, terwijl een andere met een houten lepel melk stond op te kloppen tot schuim — een proces dat volgens sommige bronnen tot wel drie kwartier kon duren, wat meteen verklaart waarom kloosterlingen bekend stonden om hun engelengeduld.
Er wordt zelfs gefluisterd dat de eerste perfecte melkschuimrozet hier is ontstaan, ergens op deze zandheuvel, bij een windkracht vijf die het schuim regelmatig uit de kommen blies en de broeders tot wanhoop dreef. Dat was vermoedelijk ook het moment waarop de eerste monnik, uit pure frustratie, geroepen zou hebben: "Broeders, als dit nog lang duurt, drink ik hem gewoon zwart!"
Een uitspraak die later als ketterij werd beschouwd en waarvoor hij — naar verluidt — tijdelijk werd veroordeeld tot het drinken van slappe chicorei.
Ik stond daar dus, met dat beeld in mijn hoofd, en moest eerlijk toegeven dat zo’n geschiedenis een mens nederig maakt. Ge voelt bijna de geest van die oude koffiemeesters nog rondwaren tussen de dennen en het stuivende zand. Alsof ze elk moment achter een struik vandaan kunnen komen met een dampende tas en een streng oordeel over de kwaliteit van uw schuim.
Nou, vooraleer er nu weer een betweter met een Wikipedia-vinger in de lucht staat, die plek heet deus wel de Capucijnenberg. Maar de gelijkenis was te mooi, om er geen verhaaltje over te breien.
Maar helemaal beneden de waarheid is het toch niet.
Want er hebben daar, lang geleden, effectief kapucijnenmonniken rondgelopen. Geen koffiekunstenaars met melkopschuimers en blinkende toestellen, maar echte broeders met sandalen, geduld en vermoedelijk een stevige portie nieuwsgierigheid. Die kwamen daar bijeen op die berg, niet om latte-art te perfectioneren, maar om in het zand te graven naar sporen uit een verleden dat nog veel ouder was dan zijzelf.
Archeologen avant la lettre, zoudt ge kunnen zeggen. Mannen die in het stuivende zand zaten te peuteren op zoek naar vuurstenen, potscherven en andere resten van mensen die daar duizenden jaren eerder hun kamp hadden opgeslagen.
Ik stel mij zo voor dat ze daar zaten, gebogen over hun vondsten, terwijl de wind het zand in hun pij blies en ze af en toe met een diepe zucht hun sandalen moesten leegkloppen.
En wie weet — want zo gaat dat nu eenmaal met monniken — zal er tussendoor toch wel eens een keteltje op het vuur hebben gestaan. Geen cappuccino met perfecte schuimrozet, maar gewoon een stevige kop iets warms dat de keel smeerde en de handen weer tot leven bracht. Dus helemaal uit mijn duim gezogen was dat verhaal misschien toch niet. Alleen een klein beetje opgeklopt, zoals dat hoort bij een fatsoenlijke cappuccino.
Maar goed, intussen zijn we dus terug thuis.
En zoals dat meestal gaat met een goed verlof: het was mooi geweest. Prachtig weer, dagenlang zon, van dat weer waar ge dubbel van geniet omdat ge weet dat er regen op komst is. En jawel hoor, toen wij terug de voordeur openden bleek dat vermoeden perfect te kloppen. Natte stoep, grijze lucht, precies alsof het weer gewacht had tot wij terug waren om zijn ware gezicht te tonen.
Maar het was daar prachtig wandelen, of beter gezegd strompelen. Want laat ons eerlijk zijn, die duinen zijn groot, zanderig en verraderlijk, en daar 10km doorbaggeren, das geen vriendelijk speelveld voor krakkemikkige knieën. Elk heuveltje lijkt onschuldig vanop afstand, maar eenmaal ge eraan begint voelt het alsof ge een halve bergketen aan het bedwingen zijt. Zand dat wegschuift onder uw voeten, kuiten die protesteren, adem die een stuk sneller gaat dan ge eigenlijk zou willen toegeven.
Maar toch — stap na stap geraakt ge vooruit, en ergens onderweg begint dat lijf zich er stilletjes bij neer te leggen dat het nu eenmaal moet volgen.
En gelukkig was er tussendoor ook nog een beetje rust voor lijf en hoofd. In Den Bosch bleek namelijk een immens grote snuffelmarkt te zijn en dat was vooral iets waar de ogen van Mevr willy van gaan glinsteren. Voor haar is zo’n markt geen rommelmarkt, maar een heuse expeditie. Een schattenjacht. Dan zie ik haar verdwijnen tussen de kraampjes met een vastberadenheid waar menig ontdekkingsreiziger jaloers op zou zijn. Van tafel naar tafel, van doos naar doos, telkens met dat stille geloof dat er ergens tussen al die vergeten spullen nog iets ligt te wachten dat absoluut mee naar huis moet.
En jawel hoor — zoals dat altijd gaat bij dat soort ondernemingen — we hebben toch weer wat gevonden. Geen wereldschokkende ontdekkingen misschien, maar wel van die kleine dingen die plots een nieuw leven krijgen omdat iemand er opnieuw iets in ziet. En ge merkt het meteen aan haar gezicht: dat tevreden gevoel van iemand die het geluk heeft gehad net dat ene ding te vinden waar ze eigenlijk al een tijdje naar op zoek was, zonder het zelf goed te beseffen.
En alsof dat nog niet genoeg was, hebben we ook nog een dagje kringwinkels gedaan — opnieuw een terrein waar Mevr willy zich helemaal thuis voelt. Voor haar zijn dat geen winkels, maar jachtvelden. Plaatsen waar achter elk rek en onder elke stapel een mogelijke vondst schuilt.
Voor mij had het nog een bijkomend voordeel: het tempo ligt daar vanzelf wat lager. Rustig rondslenteren tussen rekken vol vergeten spullen, af en toe iets vastpakken, terugleggen, een beetje neuzen zonder dat iemand u opjaagt. Dat gaf de nodige rust, precies wat dat lijf nodig had na al dat zandgeworstel.
En zo zijn we dus weer thuis geraakt.
Moe, dat zeker. De knieën die hier en daar nog wat protesteren, spieren die laten voelen dat ze hun beste dagen al een tijdje achter zich hebben. Maar tegelijk ook voldaan, met dat stille gevoel dat ge krijgt na een paar dagen buitenlucht, zon en een beetje avontuur op maat van een mens die zijn grenzen ondertussen goed kent.
Moe, maar voldaan — zoals ze dat zo schoon zeggen.