Er zijn van die woorden waar je vroeger nooit bij stilstond.
Kiezen was er zo één.
Dat hoorde bij het gewone leven. Kleine dingen. Confituur of choco. Nog een dessert of toch maar verstandig doen, al wist je eigenlijk al op voorhand hoe dat ging aflopen. Dat waren keuzes waar je achteraf hooguit een beetje spijt van had omdat je broek wat strakker zat en je jezelf beloofde dat het morgen écht anders zou zijn.
Tot je kanker krijgt.
Dan verandert dat woord ineens van kleur. Het wordt zwaarder, donkerder, iets waar je niet meer zomaar over stapt alsof het een plas regenwater is. Vanaf dat moment moet je kiezen. Niet één keer, maar telkens opnieuw. Alsof het een vak is dat je plots moet volgen, zonder dat iemand je ooit de leerstof heeft gegeven, laat staan de examenstof.
In het begin valt dat nog mee. Of dat denk je toch.
Dan kies je eigenlijk niet echt. Ze stellen een behandeling voor en je neemt die aan. Zonder veel nadenken. Je wil leven. Punt. Je grijpt alles wat ook maar een kans geeft, hoe klein ook. Nevenwerkingen? Pfff… dat is zorg voor later. Dat is iets voor een andere dag, een andere maand, een andere versie van jezelf.
En nu zijn we later. Bijna zes jaar later.
En dan maak je de balans op.
Je seksualiteit: weg.
Je spieren: verdwenen met de noorderzon.
Je conditie die langzaam maar zeker achteruit kruipt, alsof er ergens iemand stiekem aan een knop zit te draaien.
En dan dat chemobrein. Die mentale moeheid. Die constante mallemolen in je hoofd waar je soms zelf niet meer helemaal uit raakt.
Je levenskwaliteit is, als je eerlijk bent, serieus achteruitgegaan.
Maar je leeft nog en zonder die behandeling was je er waarschijnlijk al lang niet meer geweest. Of zat je ergens zwaar in de vernieling, half mens, half wrak.
Dus ja… de balans is positief.
Tot hiertoe.
Maar naarmate de jaren voorbijgaan, verandert dat.
Dan komen de momenten waarop keuzes minder vanzelfsprekend worden. Momenten waarop voor- en nadelen dichter bij elkaar kruipen, alsof ze samenspannen. Waarop risico’s plots meer gewicht krijgen. Waarop je jezelf vragen hoort stellen waar je vroeger niet eens aan dacht, laat staan dat je er wakker van lag.
En daar begint het echte kiezen. En dat zijn geen gewone keuzes meer.
Niet links of rechts. Niet ja of nee tegen iets simpels. Maar keuzes waar je eigenlijk helemaal niet tussen wílt kiezen. Behandeling A of behandeling B. Nog een stap verder gaan of net een stap terugzetten. Meer kans op tijd, maar met een lijf dat nog verder wordt afgebroken. Of minder zwaar gaan, meer kwaliteit, en hopen dat je nog wat leven overhoudt dat ook nog echt leven mag heten.
En telkens opnieuw dat gewik en geweeg waar je nooit echt goed uitkomt.
Wat het nog lastiger maakt, is dat we allemaal zijn opgegroeid met een ander idee van ziek zijn. Je wordt verkouden, je gaat naar de dokter, je krijgt een doosje pillen en een paar dagen later ben je weer mens. Misschien wat snotterig geweest, misschien een paar nachten slecht geslapen, maar daarna trekt het weer recht. Probleem opgelost. Het leven gaat gewoon verder.
Zo zit dat diep in ons hoofd ingebakken. Dat ziekte iets is wat je oplost. Iets wat voorbijgaat. Zoals een lekke band: je plakt het gat, pompt wat lucht bij en je rijdt weer verder. Alleen… bij kanker blijkt dat wiel soms helemaal niet meer rond te willen draaien.
Maar bij kanker werkt dat niet zo.
Hier lost een behandeling zelden iets simpel op. Je ruilt het ene probleem vaak in voor een ander. Je wordt geopereerd en je bent genezen, ja… maar je verliest stukken van jezelf. Een prostaat. Een borst. Een stuk darm. Je krijgt chemo of immunotherapie of je wordt bestraald en misschien win je wel wat tijd, maar je krijgt er een hoop andere ellende bij. Vermoeidheid die blijft hangen. Pijntjes die nooit meer helemaal verdwijnen. Een lijf dat niet meer doet wat het vroeger vanzelf deed, hoe hard je het ook probeert te overtuigen.
En dat is misschien wel het moeilijkste om te aanvaarden: dat elke behandeling, hoe nodig ook, zijn prijs vraagt. Niet alleen nu, maar dikwijls voor de rest van je leven.
Want dat is het uiteindelijk.
Je kiest niet alleen een behandeling. Je zet een richting uit voor de rest van je leven. Of voor wat daarvan nog overschiet — en niemand kan je achteraf vertellen of je de juiste afslag hebt genomen.
En het vervelendste is misschien nog dat je nooit weet of je goed gekozen hebt. Dat blijft knagen. Zelfs wanneer alles goed lijkt te gaan. Zelfs wanneer de cijfers meevallen. Er zit altijd ergens dat stemmetje dat fluistert: had het anders ook gekund?
Soms denk ik dat kiezen bij ziekte eigenlijk geen kiezen is.
Dat het meer lijkt op gokken in een casino waar je de regels niet kent, met fiches die je nooit zelf hebt gekozen en een croupier die vriendelijk blijft glimlachen terwijl hij de kaarten uitdeelt.
En jij zit daar maar, met je lijf als inzet, en hoopt dat het volgende kaartje geen joker is.
Dus je leert kiezen. Niet omdat je dat zo graag doet, maar omdat er geen alternatief is. En omdat wachten ook kiezen is — alleen zonder dat iemand het zo noemt.
En af en toe — meestal ’s nachts, als het stil wordt in huis en de dag eindelijk ophoudt met lawaai maken, en ik nog even zit met mijn cappuccino — denk ik terug aan vroeger. Toen kiezen nog iets kleins was. Toen het ergste dat kon gebeuren was dat je een verkeerde taart koos bij de bakker.
Dat waren nog eens keuzes waar een mens gerust mee kon leven.