Ik ben dus een Sinjoor.
Een rasechte Antwerpenaar, geboren binnen de poort, zeggen ze dan. Binnen de oude Brialmontvesting . Daar waar nu de ring rond Antwerpen ligt en waar ge elke ochtend, als ge pech hebt, meer tijd verliest dan Adam en Eva ooit in het hele Paradijs samen.
En das iets om trots op te zijn . Niet zo’n schreeuwerige trots met vlaggen en fanfares, maar zo’n stille tevredenheid, gelijk een mens kan hebben als hij weet dat hij ergens thuishoort. Dat zit ergens onder uw vel, zoals een oude moedervlek: ge vergeet ze meestal, maar ze hoort bij u.
Want Antwerpen, dat is nooit zomaar een stad geweest. Dat is altijd een beetje een nest geweest van mensen met grote hoofden en nog grotere ideeën. In de zestiende eeuw, lang voordat er files bestonden en mensen nerveus werden van een parkeerboete ,liep het hier al vol met volk dat dacht dat de wereld groter was dan hun eigen straat.
Ge had hier Ortelius, die zo nodig de hele wereld in kaarten wilde stoppen, alsof hij dacht: als ik ze kan tekenen, dan begrijp ik ze misschien ook.
Ge had Plantin, die met zijn drukkerij boeken uitspuwde alsof het warme broodjes waren — en niet van die kleine, maar dikke pillen waar je twee handen nodig had om ze te dragen.
Ge had Lipsius, die nadacht over hoe een mens moest leven, iets waar wij vandaag nog altijd niet helemaal uit zijn, en Dodoens, die planten bestudeerde alsof elke wortel een geheim in zich droeg dat ge alleen met geduld kon ontfutselen.
En iets verderop zaten mannen als Mercator en Vesalius, die de wereld en het menselijk lichaam uit elkaar haalden alsof het speelgoed was dat ze eerst moesten demonteren voor ze begrepen hoe het werkte.
Kortom: het was hier toen geen dorp met een dorpsgek en een herberg. Het was een stad waar ideeën groeiden alsof ze mest kregen van de Schelde zelf.
En in zo’n stad — tussen al dat papier, al die kaarten en al die koppige koppen — kon het haast niet anders of er moest ooit iemand opstaan met een idee dat tegelijk briljant en een tikje krankzinnig was.
En ja hoor. Daar was hij.
Joannes Goropius.(1519-1572)
Geen Sinjoor van geboorte, maar hij leefde er wel. Een geleerd man met een hoofd vol talen en een overtuiging zo groot dat ge er bijna een huis mee had kunnen verwarmen in de winter.
Die man beweerde — en niet als grap, maar met het gezicht van iemand die het meende dat onze taal , ons geliefd Antwerps, één van de oudste ter wereld was. Sterker nog, volgens hem ging onze taal rechtstreeks terug tot in het Paradijs zelf. En dat Paradijs, dat lag volgens hem niet ergens ver weg tussen palmbomen en exotische vogels waar ge eerst drie weken voor moest reizen en een vaccinatie tegen gele koorts voor nodig had.
Neen.
Dat lag hier. Gewoon hier. Aan een bocht van de Schelde. Daar waar later Antwerpen zou verrijzen. Waar nu dokken liggen, kaaien en containerkranen die hoger zijn dan de trots van een Sinjoor.
Ge moet dat eens rustig laten bezinken.
Want als ge daar lang genoeg over nadenkt — liefst met een tas cappuccino in de hand — dan begint uw hoofd vanzelf rare sprongen te maken.
Dan ziet ge ineens Adam en Eva hier rondlopen.
Niet ergens tussen palmbomen, maar gewoon langs het water. Misschien wel ergens waar nu een café staat. Of een bakker waar ge op zondagmorgen een koffiekoek gaat halen terwijl ge nog half slaapt.
En als dat waar was , al was het maar een béétje waar , dan komt vanzelf de volgende gedachte. Zo’n gedachte die zich langzaam opblaast in uw hoofd, gelijk een kogelvis die zich groter maakt dan hij eigenlijk is: Wat als Eva geluisterd had?
Wat als Adam — ergens hier langs de Schelde — tegen haar had gezegd:
“Zeg, Evake… loat dienen appel moar hange, zulle, want dá komt ier ni goe.”
In ’t Antwerps dus.
En stel nu dat ze geluisterd had. Dat heel dat gedoe met goed en kwaad, met zonden en ellende, nooit begonnen was. Dat Adam en Eva hier gewoon waren blijven rondlopen, tussen de bomen en het water, terwijl ergens in de verte misschien al een Sinjoor stond te denken hoe hij het verkeer beter kon regelen.
Dan ja, waarom niet, dan had ik misschien een rechtstreekse afstammeling kunnen zijn.
Een Sinjoor van het eerste uur.
Met perfecte genen. Gezonde genen. Genen waar ze van kanker nog nooit gehoord hadden. Geen scans, geen bestralingen, geen dokters die met gefronste wenkbrauwen naar een scherm zitten te kijken alsof ze een slechte film volgen.
Allemaal netjes in orde, zoals het in een paradijs hoort.
En eerlijk gezegd, als geboren Antwerpenaar vind ik dat een gedachte waar een mens toch een beetje warm van wordt.
Want Antwerpen, dat is geen gewone stad. Dat is een karakter.
Wie hier geboren is — binnen de poort — draagt dat voor de rest van zijn leven mee. Zelfs als ge later ergens anders terechtkomt, tussen mensen die “amaai” uitspreken alsof het een vreemd woord is, blijft er altijd iets hangen.
Een klank. Een houding. Een manier van kijken naar de wereld.
Met een taal die, als het een beetje anders gelopen was , misschien wel de taal van Adam en Eva was geweest.
En als ik daar zo eens rustig over nadenk, dan denk ik dat Adam misschien nog gelijk had ook.
Maar ja.
Ge kent Eva. 🍎