Als mijn schoenen konden praten…
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze lachen.
Niet vriendelijk.
Niet zacht.
Droog. Versleten.
Zoals leer dat te veel winters heeft gezien.
Ze zouden mij aankijken.
Van onderuit.
Zoals alleen schoenen dat kunnen.
En zeggen:
Ge hebt ons nogal gebruikt, kameraad.
Kilometers.
Zonder nadenken.
Zonder bedanken.
Gewoon stappen.
Altijd maar stappen.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze beginnen bij vroeger.
Toen stappen niets waren.
Gewoon beweging.
Geen nadenken.
Geen rekenen.
Trap op.
Trap af.
Geen gesprek met de longen.
Geen overleg met de knieën.
Gewoon gaan.
Alsof dat normaal was.
Alsof dat altijd zo zou blijven.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze stil worden bij dat eerste jaar.
Dat jaar van geruststellen.
Van dokters met zachte stemmen.
Van woorden die niets oplosten.
Het komt wel goed.
Maak u geen zorgen.
We houden het in de gaten.
Tot plots dat ene woord.
Uitgezaaid.
Geen schreeuw.
Geen donder.
Gewoon dat woord.
Als een steentje in de schoen.
Klein.
Maar altijd aanwezig.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze de ziekenhuisgangen kennen.
Blinkende vloeren.
Te proper.
Te stil.
Stappen die anders klonken.
Voorzichtiger.
Zwaarder.
Stoelen.
Wachtkamers.
Tijd die niet vooruit wilde.
Ze stonden daar.
Onder mij.
Geduldig.
Altijd geduldig.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze de woorden kennen.
PSA.
Scan.
Bestraling.
Abirateone
Radium.
Lutetium.
Denosumab.
Woorden die eerst vreemd waren.
Daarna normaal.
Veel te normaal.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze het over trappen hebben.
Veertig treden.Vroeger niets.
Nu een kleine oorlog.
Adem zoeken.
Trots verbergen.Boven komen.
Doen alsof het meevalt.
Altijd dat doen alsof.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze spreken over verlies.
Niet ineens.
Niet dramatisch.
Maar traag.
Kracht die wegvloeit.
Spieren die zich terugtrekken.
Benen die minder zeker worden.
Elke dag een beetje.
Zonder lawaai.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze Mevr willy herinneren.
Twee paar schoenen.
Naast elkaar.
Langzamer.
Korter.
Maar samen.
Altijd samen.
Soms zwijgend.
Soms moe.
Maar toch vooruit.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze angst herkennen.
Niet de dood.
Die is theorie.
Maar het blijven leven
met een lichaam dat terrein opgeeft.
De vrees voor schuifelen.
Voor stilstaan.
Voor afhankelijk worden.
Voor het moment
dat schoenen meer wachten
dan bewegen.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze koppigheid noemen.
Geen moed.
Geen heldendom.
Koppigheid.
Nog eens naar buiten.
Nog eens een blokje om.
Ook als het lichaam zegt:
Blijf zitten.
Toch gaan.
Altijd toch gaan.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze mij niet prijzen.
Niet troosten.
Niet vergoelijken.
Ze kennen alleen gewicht.
Afstand.
Slijtage.
Ze zouden zeggen:
Een leven
is geen groot verhaal.
Het is stappen.
Veel stappen.
Kleine stappen.
Zware stappen.
En blijven stappen.
Zelfs wanneer het pijn doet.
Zelfs wanneer ge twijfelt.
Zelfs wanneer ge moe zijt
van alles.
Als mijn schoenen konden praten,
zouden ze op het einde zwijgen.
Even.
Lang genoeg
om het gewicht te voelen
van alles wat geweest is.
En dan, droog.
Feitelijk.
Zoals alleen oude schoenen spreken:
Wij waren erbij.
Bij elke gang.
Bij elke scan.
Bij elke terugkeer naar huis.
Bij elke twijfel.
Bij elke vloek.
Bij elke stap
die ge eigenlijk niet meer wilde zetten.
En dan, bijna fluisterend:
Ge hebt gevloekt.
Ge hebt gevreesd.
Ge hebt getwijfeld.
Maar ge zijt blijven stappen.