Nou, vroeger dacht ik bij brandnetels vooral aan vakanties.
Aan van die zomers waarin ge als kind veel te enthousiast door een berm liep omdat ge ergens een geheime bunker, een beek of een verloren voetbal dacht ontdekt te hebben — om dan vijf seconden later gillend terug te komen alsof ge door een tropische slang gebeten waart.
Brandnetels hadden toen nog iets tijdelijks.
Even vloeken. Wat over uw benen wrijven.En klaar.
Tegenwoordig kijk ik daar toch anders naar.
Want een lotgenoot zei onlangs iets dat in mijn hoofd is blijven hangen:
“Het leven van een kankerlijer gaat niet over rozen. Het gaat over brandnetels.
En verdorie. Dat is exact hoe het voelt.
Niet één grote ramp. Niet constant tragedie met vioolmuziek op de achtergrond.
Nee. Gewoon: altijd ergens geprik.
Een mens zonder kanker begrijpt dat soms moeilijk. Die denkt bij ziekte vaak aan grote dramatische momenten.
Aan scans. Operaties. Slecht nieuws.
Maar het echte leven met kanker zit vaak in duizend kleine steken.
Dat ge ineens moe zijt van niks.
Dat ge uw sleutels kwijt zijt en half in paniek schiet omdat ge niet meer weet of het verstrooidheid is of aftakeling.
Dat ge op restaurant eerst kijkt waar het toilet is.
Dat ge op een goeie dag ineens denkt: amai, vandaag voel ik mij precies bijna normaal.
Tot ge rechtstaat en uw rug protesteert alsof er een betonmolen in uw bekken zit.
Brandnetels.
En het vervelende aan brandnetels is: ze groeien overal tussendoor.
Ge kunt een mooie wandeling maken.
Ge kunt lachen.
Ge kunt op verlof gaan.
Ge kunt zelfs een uitstekende dag hebben.
Maar ergens onderweg schiet er toch weer zo’n stekende herinnering door uw hoofd:
ah ja. Ik ben ziek.
Pfff.
Soms denk ik zelfs dat kanker voor een stuk betekent dat ge uw naïviteit verliest.
Gezonde mensen lopen nog vrolijk door hun rozentuin van “later”.
Later gaan we dat doen.
Later reizen we meer.
Later genieten we.
Later komt alles goed.
Kankerlijders leren dat “later” een bijzonder onbetrouwbaar concept is.
Die beginnen plots anders te kijken naar een gewone vrijdagavond met stokbrood, kaas en een fles wijn.
Alsof ge stiekem weet: dit zijn misschien de echte dingen.
Niet de rozen uit de catalogus. Maar de kleine stukken leven tussen de brandnetels.
En misschien is dat nog het vreemdste van alles.
Dat een mens zelfs in een veld vol ellende uiteindelijk toch manieren vindt om voorzichtig verder te wandelen.
Al doet ge dat tegenwoordig wel iets trager.
En met langere broekspijpen.