Vanavond schrijf ik je
met zout aan mijn handen
en zandkorrels
die zich vastklampen aan mijn huid
alsof ook zij niet willen verdwijnen.
De zee ligt stil.
Een oude vriend,
met zijn eindeloze blauwheid,
zijn adem van golven
en zijn geheimen
die ouder zijn dan herinneringen.
De maan heeft een zilveren pad
over het water gelegd,
alsof iemand daarboven
toch een weg heeft willen achterlaten
voor verdwaalde mensen.
In de diepte
glinsteren sterrenstelsels.
Niet aan de hemel.
Maar onder mij.
Verborgen in het zwarte water,
tussen oude brieven,
vergeten gedichten
en woorden die langzaam oplossen
tot ze niet langer van iemand zijn.
Soms verlang ik ernaar
om één te worden met die zee.
Met die sterren.
Met iets dat groter is
dan de kleine grenzen
van een mensenleven.
Ik hoor bij deze nacht.
Bij de rollende golven.
Bij de stilte
die geen antwoorden geeft
en toch troost biedt.
Daarom schrijf ik je.
Over dromen
die nog steeds naar mij terugkeren
als vogels die de weg naar huis kennen.
Over dagen
die kleiner worden dan vroeger.
Niet korter. Kleiner.
Alsof een mens op een bepaald moment ontdekt
dat een rustige ochtend
meer gewicht kan dragen
dan een heel jaar vol plannen.
Ik schrijf je
over plannen
die tegenwoordig uit misschien bestaan.
Misschien volgende lente.
Misschien volgend jaar.
Misschien nooit.
Een mens wordt verrassend goed
in het verzamelen van misschiens.
Ik schrijf je
over dingen die verdwijnen.
Over namen.
Over seizoenen.
Over zekerheden.
En over hoe een mens
soms een heel leven nodig heeft
om te ontdekken
dat niets hem werkelijk toebehoort,
behalve misschien
de verhalen die hij onderweg verzamelt.
Vroeger keek ik naar de horizon
als naar een bestemming.
Nu kijk ik ernaar
zoals een dorstige reiziger
naar een verre bron.
Niet om haar te bereiken.
Alleen om haar
nog even te zien glanzen.
Misschien is dat ouder worden.
Steeds minder vragen
om de overkant te bereiken,
en steeds dankbaarder worden
voor wat licht
op het water.
Toch blijf ik verlangen.
Naar licht.
Van binnen.
Van buiten.
Naar dat ene ogenblik
waarop alles even samenvalt
en ik de flikkerende lichtjes
van het bestaan
in mijn handpalmen mag dragen.
De nachtelijke hemel
hangt boven mij
als een magische waas.
En de leegte in mij,
die oude stille kamer,
lijkt langzaam vol te lopen
met maanlicht.
Misschien bereikt deze brief je nooit.
Misschien lost hij op
zoals zoveel dingen oplossen.
Misschien drijft hij straks rond
tussen al die andere onbeantwoorde brieven
die mensen sinds het begin der tijden
naar de zee hebben gestuurd.
Maar vannacht
stuur ik hem toch.
Mijn woorden stijgen op
tussen de sterren.
Vol verlangen.
Vol verwondering.
En ergens tussen hemel en zee
blijft een mens achter,
klein als een zandkorrel,
met wat meer verleden
dan toekomst,
luisterend naar het ruisen van de golven,
alsof daarin
heel zachtjes
een antwoord verborgen ligt.