Vandaag was het dus eindelijk weer een dag met normale temperaturen.
Tijd om wat in de tuin te werken. Was hoognodig. De laatste weken is het niet alleen snikheet geweest, maar zijn er ook een aantal flinke hitteonweders overgetrokken.
En die hebben zich goed uitgeleefd op de scheidingshaag met de buurman.
Nu moet ge weten dat dat geen gewone haag is. Ik noem het eerder een ruim 4 meter hoge botanische vergissing. Een ondefinieerbare mengeling van struiken, hagen, jonge boompjes, braam, klimop en waarschijnlijk nog een paar plantensoorten die zelfs een bioloog liever niet probeert te benoemen.
Nu ligt die haag natuurlijk pal op de zuidkant. En planten zijn niet dom. Die weten perfect waar de zon zit. Dus groeien ze bijna allemaal mijn kant op. De buurman heeft de stammen. Ik krijg de takken, de bladeren, de doornen en alles wat ooit beslist heeft om zonlicht op te zoeken.
Na dat onweer hingen er overal afgescheurde en half gekraakte takken. Uiteraard aan mijn kant. De natuur heeft blijkbaar ook al beslist wie het onderhoud voor haar rekening neemt.
Dus moest er gesnoeid worden. Wel niet de beste tijd van het jaar, maar nood breekt wet.
En als ge dan toch bezig zijt, kunt ge evengoed ineens wat meer wegknippen. Want die haag heeft maar één levensdoel: mijn tuinpad veroveren. Ge kunt dat 's morgens netjes vrijmaken en tegen de avond hebt ge alweer het gevoel dat ge door het Amazonewoud naar de vuilnisbak moet.
Dus heb ik daar een hele dag rondgelopen met een snoeischaar in de hand en de zelfverzekerde uitstraling van een man die ervan overtuigd was dat hij de natuur eindelijk eens een lesje ging leren.
Dat ging eigenlijk verrassend goed.
Tot ik plots oog in oog stond met een jonge bosduif. Ik had haar bijna niet gezien. Ze zat verscholen tussen de takken, op amper een halve meter van mijn snoeischaar, in een nest dat eruitzag alsof het gebouwd was met het motto: 'Ach, dat zal wel houden.' Bij bosduiven blijken de normen op architecturaal vlak nogal soepel te zijn.
Wat me nog het meest verbaasde, was dat ze gewoon bleef zitten. Geen paniek. Geen gefladder. Geen poging om zich uit de voeten te maken. Ze keek me alleen maar aan, alsof ze er heilig van overtuigd was dat ik haar onmogelijk kon zien.
Later heb ik opgezocht hoe dat kwam. Blijkbaar hebben jonge bosduiven een eigenaardige overlevingsstrategie. Als er gevaar dreigt, blijven ze stokstijf zitten. Hun instinct zegt hen dat een roofdier hen dan niet opmerkt.
Raar toch. Zo'n geweldig plan is dat dus niet. Integendeel. Ik zag haar natuurlijk perfect. Sterker nog, als ik nog één tak had weggeknipt, had ik waarschijnlijk haar hele nest mee naar beneden gehaald. Volgens mij lag er zelfs nog een ei naast.
Maar toch bleef dat beeld de rest van de dag in mijn hoofd hangen.
Dat kleine pluizenbolletje dat dacht dat ge onzichtbaar kunt worden door gewoon heel stil te blijven zitten.
En heel even betrapte ik mezelf op een gedachte waarvan ik wist dat ze nergens op sloeg.
Zou het niet heerlijk zijn als wij dat ook konden?
Gewoon een paar dagen niet bewegen.
Niet opvallen.
Heel stil blijven zitten.
Tot die kanker voorbijloopt en denkt: "Nee hoor... hier zit niemand."