Er was eens een grijs potlood dat nog nooit iets had geschreven.
Het lag samen met elf andere potloden in een kartonnen doosje achter het raam van een kleine papierwinkel, waar het altijd een beetje rook naar papier, hout en inkt. Iedere ochtend, wanneer de winkelier het rolluik optrok, viel er een streep zonlicht over hun glanzende lak, en dan lagen ze daar keurig naast elkaar, even lang, even recht en even puntig, alsof ze allemaal voorbestemd waren om grootse dingen te doen.
De andere potloden droomden luidop.
Het rode potlood wilde kastelen tekenen, met torens zo hoog dat ze bijna aan de wolken kriebelden.
Het blauwe potlood droomde ervan brieven te schrijven naar verre landen, waar de zee groener was dan thuis en de postbodes misschien op kamelen reden.
Het groene potlood hoopte ooit in een schetsboek terecht te komen bij iemand die bomen kon tekenen zonder dat ze op bloemkolen leken.
Maar het grijze potlood zei meestal niets. Niet omdat het geen dromen had, maar omdat zijn droom zo eenvoudig was dat de anderen hem waarschijnlijk zouden uitlachen. Het wilde naar buiten. Weg uit dat doosje. De wereld in. Het wilde in een hand liggen en voelen hoe het was om een spoor achter te laten.
Op een regenachtige woensdag kwam er een oude schoolmeester de winkel binnen. Hij rook naar krijt, natte jas en pepermunt, zoals oude schoolmeesters dat in sprookjes horen te doen. Hij kocht een schrift, een gom en het doosje potloden. Nog diezelfde middag werd het grijze potlood uit de doos gehaald en in de hand gelegd van een jongetje dat zijn eerste letters leerde schrijven.
Nu moet ge weten dat eerste letters zelden fatsoenlijke letters zijn. De a had een buik te veel, de m leek op een rij molshopen en de s was gewoon een ongelukje met ambitie. Maar het potlood vond het prachtig. Voor het eerst in zijn leven liet het iets achter dat er voordien niet was geweest.
Vanaf toen begon zijn leven pas echt.
Het schreef sommen die niet altijd klopten, namen op de achterkant van schoolfoto’s, pijltjes in de marge, geheime tekeningen tijdens de les aardrijkskunde en één keer, heel voorzichtig, de woorden: “Ik vind haar lief.” Dat laatste werd meteen uitgegomd, maar het potlood had het toch geschreven, en daar was het heimelijk trots op.
Alleen was er ook de slijper.
De eerste keer dat het potlood daarin werd gestoken, dacht het dat zijn laatste uur geslagen had. Het werd rondgedraaid, het hout kraakte, er vielen krullen naar beneden en toen het weer tevoorschijn kwam, miste het een stukje van zichzelf. Het wilde verontwaardigd protesteren, maar nog voor het iets kon zeggen, begon het opnieuw te schrijven. En eerlijk was eerlijk: het schreef beter dan voordien.
Zo ging dat jarenlang. Telkens als zijn punt stomp werd, kwam de slijper. Telkens verloor het een stukje. En telkens bleek er daarna och weer iets te zijn dat geschreven moest worden.
Het potlood beleefde meer dan het ooit had durven dromen. Het lag in een schooltas tussen broodkruimels en een half gesmolten chocoladereep. Het rolde onder een kast en lag daar drie weken naast een knikker die beweerde ooit kampioen te zijn geweest. Het werd gevonden door de hond, die dacht dat potloden takjes waren voor binnen gebruik. Er kwamen tandafdrukken in zijn lak, wat het potlood aanvankelijk vernederend vond, tot een vulpen opmerkte dat het hem een doorleefd uiterlijk gaf.
Later verhuisde het naar een middelbare school, waar het ingewikkelde formules schreef die zelfs de schriftjes niet helemaal vertrouwden. Het tekende snorren op foto’s in geschiedenisboeken, karikaturen van leerkrachten met neuzen die in werkelijkheid kleiner waren, en op een dag schreef het achteraan in een schrift: “Ik wil hier weg.” Het potlood wist niet wie dat geschreven had, maar het voelde dat de hand trilde.
En weer kwam de slijper. En weer werd het korter.
Op een dag belandde het in een studentenstudio, tussen koffievlekken, lege pizzadozen en cursussen die dikker waren dan gezond is voor papier. Het schreef samenvattingen tot diep in de nacht, onderlijnde dingen die dringend onthouden moesten worden en die de volgende ochtend alweer vergeten waren, en tekende een gezicht in de marge van een cursus statistiek, gewoon omdat de student anders in slaap viel.
Daarna verdween het maandenlang in een lade. Het dacht dat zijn leven voorbij was.
Maar op een avond werd de lade opengetrokken door dezelfde jongen, die inmiddels geen jongen meer was. Hij zocht paniekerig iets om een telefoonnummer op te schrijven. Er was geen pen te vinden, natuurlijk niet. Pennen verdwijnen altijd wanneer ze nodig zijn. Maar daar lag het potlood nog. Korter, geknaagd, een beetje scheef, maar nog altijd bruikbaar.
Het schreef het nummer, en dat nummer bleek later belangrijk. Heel belangrijk zelfs. Want het was het nummer van een vrouw die graag lachte, maar nooit om domme moppen. Het potlood schreef haar naam op een envelop, daarna een adres, later boodschappenlijstjes voor twee, en nog later namen die ze samen voor een kind bedachten.
Bij de komst van dat kind lag het potlood in een keukenlade. Het hoorde mensen lachen en huilen, zag bloemen op tafel staan en kaartjes met roze en blauwe beertjes, en niet lang daarna werd het weer bovengehaald om op een blad papier te schrijven hoeveel flesjes er per dag gedronken werden. Het potlood vond dat minder romantisch dan liefdesbrieven, maar minstens even belangrijk.
De jaren liepen verder, zoals jaren dat doen wanneer niemand oplet. Het potlood werd korter. Het kind werd groter. De handen die het vasthielden veranderden. Eerst waren ze klein en kleverig van confituur, daarna groter en ongeduldig, later volwassen, met ringen, littekens en soms een lichte beving.
Het potlood schreef verhuislijsten, sollicitatiebrieven in klad, een gedicht dat niemand ooit te zien kreeg en een plan voor een tuinhuis dat nooit gebouwd werd omdat iemand tijdens het meten al ruzie kreeg met de waterpas. Het schreef op kalenders: “tandarts 14u”, “moeder bellen”, “niet vergeten: katten eten”. Het viel op de grond, brak zijn punt, werd opnieuw geslepen en mopperde dat het leven blijkbaar één lange samenzwering van slijpers was.
Maar iedere keer, hoe kort het ook werd, vond iemand nog een manier om het vast te houden.
Tot er op een dag iets gebeurde wat het potlood niet kende. De slijper maakte hem niet langer mooier. Hoe voorzichtig hij ook werd geslepen, er brak altijd wel ergens een stukje af dat vroeger was blijven zitten. De letters kwamen trager, de lijnen werden aarzelender, en het potlood begon te denken dat het misschien niet meer geschikt was voor grote verhalen. Toen nam de man hem op een avond toch weer vast, niet voor een lange brief of een dik schrift, maar voor een klein kaartje voor iemand die het moeilijk had. Het waren maar een paar zinnen, meer niet. Maar toen de man klaar was, bleef zijn hand nog lang op het papier rusten, en voor het eerst begreep het potlood dat sommige woorden niet lang hoeven te zijn om diep binnen te komen.
Niet veel later was het zo klein geworden dat het voortdurend tussen paperclips en elastiekjes verdween. De man nam een oud houten doosje uit de kast en legde het daar voorzichtig in. In dat doosje lagen al andere korte potloden. Sommige waren nauwelijks langer dan een lucifer, andere hadden tandafdrukken, een gebroken punt of een afgesleten gommetje. Geen enkel zag er nog nieuw uit, maar toch leek niemand zich daar druk om te maken. Ze schoven een beetje op, zoals oude bekenden dat doen wanneer er iemand bijkomt die niet hoeft uit te leggen waarom hij moe is.
’s Avonds, wanneer het huis stil werd, vertelden de potloden elkaar verhalen. Het rode had ooit een trouwkaart geschreven. Het blauwe had jarenlang rekeningen uitgerekend voor iemand die altijd net te weinig geld had. Een klein geel stompje had tekeningen gemaakt voor een kind dat later zelf kinderen kreeg. Ze spraken niet veel over de slijper, maar als iemand hem noemde, werd het even stil. Iedereen kende hem. Iedereen had krullen achtergelaten.
Ze luisterden vooral. Dat deden oude potloden nu eenmaal beter dan jonge. Niemand probeerde de krassen van een ander glad te strijken. Ze wisten allemaal dat sommige krassen moesten blijven zitten.
Ook het grijze potlood luisterde, en hoe langer het luisterde, hoe minder alleen het zich voelde. Want in dat doosje werd niet gevraagd hoe lang ge nog waart. Niemand mat elkaar. Niemand zei: “Gij zijt bijna op.” Ze wisten allemaal dat een potlood niet alleen bestaat uit wat er nog van overblijft, maar ook uit alles wat het onderweg heeft geschreven.
Op een ochtend ging het doosje open. Een hand zocht tussen de korte potloden, heel voorzichtig, alsof ze allemaal iets breekbaars in zich droegen. Ze namen het grijze potlood vast. Het voelde hoe ruw zijn hout geworden was, hoe weinig lengte het nog had en hoe moe het eigenlijk was.
Maar het kon nog schrijven.
Niet veel misschien. Geen roman meer. Geen wereldkaart. Misschien alleen nog een paar regels.
Op het papier verschenen langzaam woorden. Geen grote woorden. Geen woorden die in een museum moesten hangen. Gewoon een zin op een kaartje voor iemand die het moeilijk had.
Toen de zin klaar was, werd het potlood terug in het houten doosje gelegd, tussen de andere korte potloden. Buiten hoorde het ergens een kind lachen. Binnen was het stil.
Het grijze potlood voelde zich moe.
Heel moe zelfs. Maar ook vreemd tevreden.
Niet omdat het nog lang was. Dat was het al lang niet meer.
Maar omdat het wist waar al zijn centimeters gebleven waren.