Met dank aan Jojo, die me de inspiratie gaf voor dit verhaal
Er bestaat een oud verhaal dat bijna niemand meer kent.
Ze zeggen dat iedere storm, hoe woest ook, ergens een plaats heeft waar geen wind waait. Een ronde plek, precies in het midden. Niet groot. Net groot genoeg voor een paar bomen, een bankje, een klein huisje en een tuin die wonderlijk genoeg altijd in bloei staat.
De zeelieden noemden die plek het Oog. Niet het oog van de mens, maar het oog van de storm.
En op dat kleine eilandje woonde al zolang iemand zich kon herinneren een oude tuinman. Niemand wist hoe oud hij werkelijk was. Zijn gezicht was gegroefd als een oude eik, zijn handen waren zwart van de aarde en zijn rug stond een beetje krom. Toch leek hij nooit moe. Elke ochtend gaf hij zijn bloemen water, snoeide hij een struik, repareerde hij een bankje of vulde hij de schaal waarin de vogels kwamen drinken.
Soms spoelde er iemand aan. Altijd uitgeput.
Mensen die door de storm waren meegesleurd. Sommigen hadden wonden. Anderen droegen littekens die niemand kon zien. Ze keken voortdurend over hun schouder, alsof de wind elk moment weer kon toeslaan.
Ze kwamen hijgend het pad op en begonnen onmiddellijk te werken.
De één stapelde stenen op elkaar.
Een ander timmerde planken voor de ramen.
Weer iemand groef greppels om het water tegen te houden.
"Wat doen jullie?" vroeg de tuinman dan.
"Ons voorbereiden."
"Waarop?"
"Op de tweede helft van de storm."
De tuinman knikte altijd begrijpend. Alsof hij dat antwoord al duizenden keren had gehoord.
Dan zette hij een ketel op het vuur. "Komen jullie eerst een kop thee drinken?"
Bijna iedereen schudde zijn hoofd.
"Daar hebben we geen tijd voor."
"De storm komt terug."
"Misschien straks al."
De tuinman glimlachte slechts. Hij schonk zichzelf een kop thee in en keek hoe de vlinders tussen de lavendel dansten.
Na een tijdje werd de stilte de mensen te veel.
"Waarom maakt u zich geen zorgen?" vroegen ze.
"Omdat zorgen de storm nog nooit hebben tegengehouden."
"Maar hij komt terug."
"Dat weet ik."
"Waarom bouwt u dan geen hogere muren?"
De oude man keek naar de bloemen. "Hebben jullie ooit een bloem gezien die haar knoppen gesloten houdt omdat er misschien volgende week hagel komt?"
Niemand antwoordde.
"Of een merel die vandaag niet zingt omdat het morgen kan regenen?"
Ze zwegen opnieuw.
De tuinman stond op en liep langzaam naar de rand van het eiland. In de verte draaiden de wolken eindeloos om hen heen. Donkere muren van wind en regen. Indrukwekkend. Onontkoombaar.
"Zie je die storm?" vroeg hij.
Iedereen knikte.
"Die is sterk."
Hij wees daarna naar een klein madeliefje dat tussen twee stenen groeide. "Maar dit is óók sterk."
Ze begrepen hem niet.
"De storm heeft één kracht," zei hij zacht. "Hij kan afbreken."
Hij bukte zich en streek met zijn vingers langs het bloemetje. "Het leven heeft er twee."
Hij glimlachte. "Het kan ook opnieuw beginnen."
Vanaf die dag gingen de drenkelingen wat minder hard werken.
Ze timmerden nog steeds een plank vast als dat nodig was.
Ze herstelden een dakpan.
Ze bonden een losse tak op.
Maar daarna gingen ze zitten.
Ze luisterden naar de vogels.
Ze voelden de zon op hun gezicht.
Ze ontdekten dat thee beter smaakte wanneer je ze niet haastig opdronk.
Sommigen begonnen zelfs weer te lachen.
Heel voorzichtig. Alsof ze vergeten waren hoe dat moest.
En vreemd genoeg waren ze, toen de storm uiteindelijk opnieuw begon te waaien, sterker dan toen ze waren aangekomen.
Niet omdat hun muren hoger waren.
Niet omdat hun daken steviger waren.
Maar omdat ze eindelijk hadden begrepen waarvoor het oog van de storm eigenlijk bedoeld was.
Niet om bang te wachten.
Niet om elke minuut naar de horizon te staren.
Niet om alvast duizend keer te lijden voor verdriet dat misschien nog helemaal niet onderweg was.
Het oog was geschapen om iets terug te geven wat de storm had afgenomen.
Rust. Adem. Verwondering.
En de herinnering dat een mens meer is dan zijn gevechten.
Nog altijd, zeggen de oude zeelieden, ligt ergens midden in iedere storm dat kleine eiland verborgen.
Met het bankje. De vogels. De bloemen.
En de oude tuinman die zijn thee inschenkt.
Hij zegt tegen iedere nieuwe bezoeker precies hetzelfde. "Ga eerst maar even zitten."
En als de bezoeker onrustig naar de donkere wolken blijft kijken, legt hij een hand op diens schouder en glimlacht.
"Wie tijdens de stilte alleen maar naar de volgende storm luistert, hoort nooit de vogels."