Blijkbaar geven we licht
Alle levende organismen zenden voortdurend een uiterst kleine hoeveelheid licht uit.
Dat klinkt als iets wat je eerder verwacht op een website waar ze ook kristallen verkopen die je chakra's reinigen, maar het is gewoon wetenschap.
Het verschijnsel heet ultraweak photon emission, kortweg UPE. Bij chemische processen in levende cellen ontstaan aangeslagen moleculen die bij het terugvallen naar een lagere energietoestand fotonen kunnen uitzenden. Heel kleine pakketjes licht dus.
Zo weinig dat onze ogen er niets van merken.
Maar in 2025 publiceerden onderzoekers van onder meer de University of Calgary en de National Research Council Canada een bijzonder experiment. Met extreem gevoelige camera's fotografeerden ze levende muizen in volledige duisternis. De dieren bleken een meetbare, uiterst zwakke gloed uit te zenden. Nadat de dieren gestorven waren, nam die lichtemissie sterk af. Bij planten zagen de onderzoekers iets anders merkwaardigs: wanneer bladeren beschadigd werden of onder stress stonden, veranderde en verhoogde de lichtuitstoot.
Met andere woorden: leven geeft licht. Letterlijk.
Een prachtige gedachte, en tegelijkertijd een gevaarlijke. Want voor je het weet wordt het weer zo'n verhaal over het licht in jezelf vinden en blijven stralen ondanks alles. Dan krijg ik spontaan behoefte van om de dimmer te zoeken.
Want er zit iets veel interessanters in dat onderzoek.
Die planten gingen namelijk niet méér licht geven omdat ze zich zo geweldig voelden.
Integendeel. Ze waren beschadigd. Hun cellen stonden onder stress. En juist daardoor veranderde hun gloed.
Klinkt veel mooier.
Wij gebruiken het woord stralen nogal gemakkelijk.
"Je ziet er goed uit." "Wat zie jij er stralend uit."
Het zijn lieve woorden.
Maar het uiterlijk van een mens vertelt nu eenmaal niet altijd wat er binnenin gebeurt.
Je kunt rechtop lopen. Een grap maken. Een cappuccino drinken. Een wandeling maken.
En ondertussen is binnenin een complete ploeg onderhoudstechnici bezig met brandjes blussen, schade herstellen en proberen de boel nog een beetje fatsoenlijk draaiende te houden.
Zeker wanneer ziekte eenmaal in je leven is komen wonen, leer je hoe merkwaardig dat verschil kan zijn.
Aan de buitenkant ziet iemand een mens.
Aan de binnenkant zie jij bloedwaarden, scans, medicatie, bijwerkingen, pijntjes waarvan je probeert te beslissen of ze belangrijk zijn, en lichaamsdelen waarvan je vroeger nauwelijks wist dat je ze had.
En dan vraagt iemand: "Hoe gaat het?"
Waarop je zegt: "Goed."
Meer niet, want de volledige versie duurt drie kwartier en intussen wordt de koffie koud.
Misschien vind ik daarom dat zwakke licht zo'n mooi beeld.
Niet omdat het bewijst dat er ergens diep in ons een magisch vlammetje brandt. Dat doet het niet. Het bewijst hooguit dat levende cellen ingewikkelde chemische fabriekjes zijn waar voortdurend van alles gebeurt.
Maar toch.
Stel je eens voor dat we dat licht wél konden zien.
Dat je door de supermarkt liep en iedereen zachtjes gloeide. De kassierster. Het kind in het winkelkarretje. Die vent die al zeven minuten voor het rek met confituur staat terwijl jij net bij de aardbeien moet zijn.
Iedereen.
Misschien zouden sommige mensen verrassend fel oplichten. Niet omdat ze gelukkig zijn. Maar omdat het vanbinnen juist moeilijk gaat. En misschien zouden we dan iets minder snel zeggen: "Maar je ziet er toch goed uit?"
Hoewel, waarschijnlijk niet. Mensen blijven mensen. Dan zeggen we gewoon: "Goh, wat straal jij vandaag."
En heeft de arme mens nog altijd niks aan onze diagnose.
Maar sinds ik van dat onderzoek weet, vind ik één gedachte eigenlijk wel mooi.
Niet als levensles. Niet op een tegeltje boven de schouw. Maar als klein biologisch weetje om af en toe aan te denken.
Je hoeft niet kerngezond te zijn om licht te geven. Je hoeft zelfs niet gelukkig te zijn.
Soms is het binnenin gewoon een ongelooflijke rotzooi.
En toch ontsnapt er af en toe een foton.
Misschien is dat al licht genoeg.