Het Sprookje van de twee oude Voeten

Gepubliceerd op 15 augustus 2026 om 11:57

Iemand appte me gisteren dat ze een hekel heeft aan blote voeten. Niet zomaar een beetje, maar een echte heuse blotevoetenfobie. Vooral tenen vond ze afschuwelijk. The horror, schreef ze.

Nu sta ik natuurlijk niet bepaald sterk in mijn schoenen om de menselijke voet te verdedigen. Volgens Mevr Willy behoren mijn voeten tot mijn minst geslaagde onderdelen. En aangezien ze inmiddels lang genoeg met het volledige model samenleeft om vergelijkend onderzoek te kunnen doen, zal daar wel iets van waarheid in zitten. 
Nou, pffff....
Maar ineens vroeg ik me af wat zij daar zelf eigenlijk van zouden vinden. Die voeten bedoel ik . 

Het sprookje van de twee oude voeten

Er waren eens twee oude voeten die al bijna een mensenleven lang helemaal onderaan dezelfde man woonden. De ene woonde links en de andere rechts, en hoewel ze elkaar zelden goed konden zien, kenden ze elkaar beter dan wie ook, want wie samen zoveel duizenden kilometers heeft afgelegd, hoeft elkaar niet voortdurend aan te kijken om te weten hoe het ermee gaat.

Mooi waren ze niet. Dat wisten ze zelf ook wel. Hun tenen stonden niet langer keurig naast elkaar zoals dat in boeken over het menselijk lichaam wordt voorgesteld, maar hadden ieder in de loop der jaren een eigen richting gekozen. Hier zat een knobbel, daar wat eelt, en hun nagels hadden op een bepaald moment kennelijk besloten dat schoonheid iets voor jonge voeten was.

Op een avond zaten ze bloot op de rand van het bed, terwijl hun man naar de badkamer was gegaan.
"Heb je het gehoord?" vroeg de linkervoet.
"Wat?"
"Dat er mensen zijn die ons afschuwelijk vinden."
De rechtervoet zweeg even. "The horror," zei hij toen.
"Ja. Dat."
Ze vonden dat allebei een beetje verdrietig, al wilden ze dat niet van elkaar weten. Oude voeten hebben tenslotte ook hun trots.
"Zijn eigen vrouw vindt ons trouwens ook niet mooi," zei links.
"Dat weet ik."
"Ze heeft het al dikwijls genoeg gezegd."
"Ze vindt de rest van hem blijkbaar beter gelukt."

Daar moesten ze toch even om lachen.
Het was vreemd, vonden ze, hoe mensen met hun lichaam omgingen. Het gezicht kreeg zalfjes en crèmes, het haar werd geknipt en gekamd, tanden werden gepoetst alsof ze ieder ogenblik bezoek van de koning konden krijgen, en handen kregen ringen van goud.

Maar helemaal onderaan zaten zij. In sokken. In het donker.
En als ze na een lange dag eindelijk eens naar buiten mochten, keek iemand ernaar en zei: "Bah, voeten."
"Eigenlijk zijn mensen ondankbare wezens," zei de linkervoet.
De rechter wilde hem tegenspreken, want hij was van nature wat milder, maar toen begon hij na te denken over alles wat ze samen hadden gedaan.
"Herinner jij je het gras nog?" vroeg hij.

En natuurlijk herinnerde links zich dat. Voeten vergeten andere dingen dan hoofden.
Het hoofd van hun man was in de loop der jaren namen kwijtgeraakt, gesprekken, plaatsen en hele stukjes van vakanties waarvan hij wist dat hij er geweest moest zijn omdat er foto's van bestonden. Maar zijn voeten herinnerden zich nog precies hoe gras voelde wanneer je er als kind 's morgens vroeg blootsvoets doorheen liep. Ze herinnerden zich warme stenen in de zomer, koude vloeren in de winter, modder tussen de tenen en zand dat dagen later nog uit een schoen kwam.

Ze hadden gerend toen hun man nog een jongen was, hoewel ze zich nu nauwelijks konden voorstellen dat ze daartoe ooit in staat waren geweest. Achter een bal aan, achter vrienden en later achter meisjes, waarbij het merkwaardige was dat de voeten altijd veel harder moesten werken zodra het hoofd verliefd werd.

"Wij hebben hem trouwens naar haar gebracht," zei rechts.
"Naar wie?"
"Zijn vrouw."
De linkervoet dacht even na. "Verdorie. Dat is waar."
"Zonder ons had hij haar misschien nooit ontmoet."
"En dan noemt zij ons lelijk."

Daar moesten ze opnieuw om lachen, want wanneer je oud bent, kun je maar beter leren lachen om ondankbaarheid. Anders krijg je er alleen maar zure tenen van.

Ze waren met hem naar zijn werk gegaan, duizenden keren dezelfde weg, ook op ochtenden waarop de rest van de man liever in bed was gebleven. Ze hadden uren onder tafels gestaan, ladders beklommen, door regen gelopen en in schoenen gezeten die in de winkel nog uitstekend hadden gepast maar na drie uur wandelen door de duivel zelf ontworpen bleken.
Ze hadden hem naar feesten gebracht en 's avonds weer naar huis, soms iets minder rechtlijnig dan op de heenweg. Ze hadden gedanst. Niet goed. Maar daar wilden de voeten niet alle verantwoordelijkheid voor nemen.

Later waren er kleine kindervoetjes naast hen gekomen. Eerst onzeker, daarna steeds sneller. De oude voeten hadden erachteraan gelopen toen die leerden fietsen, waren meegegaan naar scholen, vakanties, bossen en stranden, en op een dag liepen die kleine voeten niet meer naast hen omdat ze groot geworden waren en hun eigen wegen hadden gevonden.

Zo gaat dat met voeten. Je brengt iemand jarenlang overal naartoe en op een dag loopt hij zonder jou verder.

Maar niet alle wegen waren mooi geweest. Er waren ook ziekenhuisgangen gekomen.

De twee voeten werden stil toen ze daaraan dachten.

Ze kenden inmiddels de vreemde glans van ziekenhuisvloeren, de lange gangen en de kamers waarin hun man op een stoel zat te wachten terwijl boven hen zijn hart sneller klopte dan anders. Ze hadden hem naar dokters gebracht die woorden uitspraken die zwaar genoeg waren om een mens plotseling anders te laten lopen.

En daarna hadden ze hem weer naar buiten gedragen. Dat was hun werk. Niet vragen wat de dokter had gezegd. Niet nadenken over morgen. Niet vertellen dat zij zelf ook moe waren.

Gewoon de ene voor de andere zetten. Links. Rechts. Links. Rechts.
Ook toen lopen moeilijker werd. Ook toen het lichaam boven hen niet meer deed wat het vroeger vanzelf had gedaan. Ook wanneer een wandeling die ooit niets betekende ineens een prestatie werd.

"Misschien zijn we daarom zo lelijk geworden," zei de linkervoet zacht.
"Hoe bedoel je?"
"Misschien zijn we gewoon versleten."

Daar had de rechtervoet nog nooit over nagedacht.

Ze bekeken zichzelf, voor zover voeten dat kunnen. De kromme tenen. De harde plekken. De adertjes onder de dun geworden huid. De nagels die geen schoonheidswedstrijd meer zouden winnen.

Het waren geen mooie voeten. Maar misschien waren het ook geen lelijke voeten. Misschien waren het gebruikte voeten.

Dat was iets anders.
Boven hen werd het gezicht van hun man oud genoemd en daar mocht waardigheid in zitten. De rimpels rond zijn ogen konden zelfs karakter heten. Grijze haren waren gedistingeerd en handen met ouderdomsvlekken hadden geleefd.
Maar een oude teen bleef gewoon een lelijke teen.

Mensen zijn vreemde wezens.
Op dat ogenblik kwam hun man terug uit de badkamer. Hij ging op de rand van het bed zitten en keek naar beneden. "Tjonge," zei hij. "Jullie zijn toch echt geen zicht."

De twee voeten zeiden niets. Dat deden ze al bijna een mensenleven.
Hun man trok zijn sokken aan, schoof hen weer in hun schoenen en stond recht. Meteen voelden ze zijn gewicht op zich neerkomen, zoals iedere ochtend en iedere dag daarvoor.

"Daar gaan we weer," zuchtte links.
"Zoals altijd," zei rechts.

Toen gingen ze op weg. De ene eerst en de andere erachteraan, en even later andersom. Zo droegen ze hun man de wereld weer in, op twee oude, kromme, versleten voeten waar niemand ooit een gedicht over zou schrijven.

En misschien was dat ook niet nodig. Ze hadden hem als kind door het gras gedragen, als jongen naar zijn dromen, als man naar de vrouw van wie hij hield en later door gangen waar hij liever nooit gekomen was. Ze hadden hem gedragen toen hij sterk was en waren dat blijven doen toen hij het minder werd.

Nooit hadden ze gevraagd waarheen. Alleen hoe ver.

En zolang het nog kon, gingen ze mee.
Want mooi waren ze nooit geweest.

Maar daar had niemand hen ooit voor nodig gehad.