Paardenbloem

Gepubliceerd op 25 september 2026 om 22:39

Het is nog zacht buiten. De zon is al achter de huizen verdwenen, maar helemaal donker wil het nog niet worden. Dat duurt tegenwoordig lang. De warmte van de dag hangt nog wat tussen de struiken en ergens zoemt een dikke hommel rond die blijkbaar ook nog niet naar bed wil. De tuin wordt stiller. Zelfs de vogels houden het stilaan voor bekeken.

Ik loop graag zo, zonder haast, een beetje kijken wat de tuin vandaag weer heeft uitgespookt. Je kunt er 's morgens doorheen lopen en 's avonds staat er ineens een bloem open. Een knop waar je al dagen naar kijkt heeft eindelijk besloten dat het zover is. Elders hangt iets slap waarvan je gisteren nog dacht dat het er prachtig bij stond. Morgen moet daar wat water bij. Die roos moet gesnoeid. En dat onkruid...

Het gazon staat trouwens weer vol paardenbloemen. Gazon is trouwens een groot woord. Maar hieren daar staat er wel wat gras tussen.
Die gele bloemen zijn  eigenlijk wel mooi. Kleine gele kopjes overal tussen het groen, alsof ze zich van mijn ideeën over hoe een gazon eruit hoort te zien geen fluit aantrekken. Geef ze eens ongelijk. Ze groeien waar ze willen, bloeien wanneer het hun uitkomt en tegen de tijd dat ik besluit dat het nu toch wel genoeg geweest is, hebben ze alweer voor nageslacht gezorgd.

Naast het pad staat er eentje die zijn geel al lang kwijt is. Een wit bolletje op een dun steeltje, bijna volmaakt rond. Geen zuchtje wind heeft eraan gezeten. Het staat daar gewoon te wachten tot er eentje komt.

Of tot ik langskom.

Als kind zocht je ze. Niet omdat ze mooi waren. Omdat er een wens in zat.
Ik blijf staan en buk me. Voorzichtig pluk ik het steeltje af, met twee vingers, alsof dat blijkbaar nog altijd zo moet. Alsof ik weer tien ben en bang ben dat er onderweg al een pluisje ontsnapt en mijn wens daardoor misschien maar voor zevenennegentig procent wordt uitgevoerd.
Mevr Willy kuiert ondertussen verder. Ze heeft niet eens in de gaten dat haar man een paar meter achter haar met een paardenbloem staat.

Vreemd hoe weinig er soms nodig is om ineens weer ergens heel lang geleden terecht te komen. Ogen dicht. Wens doen. Blazen. En vooral niet vertellen wat je gewenst had, want dan kwam het niet uit.
Wij geloofden dat. Wij geloofden in paardenbloemen en vallende sterren, in lieveheersbeestjes die geluk brachten en in Sinterklaas die op één nacht met een paard over alle daken van België reed. Dat laatste had ons eigenlijk aan het denken moeten zetten, maar dat deed het niet. Als kind kun je dat nog. Geloven zonder eerst te willen weten hoe het precies werkt.

Ik draai het steeltje wat tussen mijn vingers en probeer me te herinneren wat ik vroeger gewenst zou hebben. Speelgoed waarschijnlijk. Een fiets. Later een brommer. Nog wat later een lief. Daarna kwamen het huis, geld, werk, kinderen, gezondheid. Er was altijd wel iets wat nog ontbrak en waarna het leven, zo dacht je, ongeveer compleet zou zijn.

Als ik dit heb. Als dat achter de rug is. Als we eenmaal...

Dan.

Dat dan heeft lang meegereisd.

Nu sta ik drieënzeventig jaar later in mijn tuin en weet ik nog altijd niet waar dat dan precies ligt. Misschien nergens. Misschien waren er onderweg genoeg momenten waarop ik er al middenin zat en had ik het gewoon niet door. Een vakantie met de kinderen. Een zomeravond. Een tafel met vrienden rond. Dingen waarvan je op het moment zelf denkt dat ze heel gewoon zijn en die jaren later ineens de goeie tijd blijken te zijn geweest.

Zoals misschien ook dit. De avond is zacht. Mijn tuin ruikt naar gras en zomer. Mevr Willy loopt een paar meter voor mij en ik sta met een paardenbloem in mijn hand.

En kanker.

Die loopt tegenwoordig ook mee. Niet zichtbaar en niet netjes een paar passen achter mij. Soms loopt hij voorop en bepaalt hij waar we naartoe gaan, soms verdwijnt hij een tijdje ergens tussen de struiken en kan ik bijna doen alsof hij er niet is.

Vanavond houdt hij zich koest.
Ik heb dus één wens en daar hoef ik niet lang over na te denken. Nog wat tijd. Meer eigenlijk niet.
Maar onmiddellijk begint mijn volwassen hoofd zich ermee te bemoeien. Hoeveel tijd? Een jaar? Vijf? Tien? En in welke toestand dan? Nog kunnen wandelen, nog met mijn camper weg, nog zelf mijn plan kunnen trekken? Liefst ook niet te veel pijn. En als het even kan zelf mijn eigen achterste blijven afvegen.
Voor je het weet sta je de voorwaarden van een wens te onderhandelen.

Een kind zou allang geblazen hebben. Misschien moet ik dat dan ook maar doen.

Ik hou de paardenbloem voor mijn mond en kijk nog even naar al die kleine witte parachuutjes. Straks zijn ze weg. Een zucht lucht is genoeg. Als kind vond ik dat waarschijnlijk magie. Nu weet ik dat het gewoon zaadpluis is, met een heel slimme constructie waarmee de natuur ervoor zorgt dat paardenbloemen uiteindelijk ook de laatste vierkante meter van mijn gazon kunnen veroveren.

Ik vond magie eigenlijk leuker.

Ogen dicht. En even, heel even, ben ik weer dat jongetje dat werkelijk gelooft dat die witte pluisjes zijn wens ergens naartoe zullen dragen. Geen idee naar wie. Daar maakten we ons vroeger blijkbaar niet druk om.

Ergens was voldoende.

Ik blaas.
Het witte bolletje valt uit elkaar en de pluisjes zweven de avond in. Sommige gaan hoog, andere landen een paar meter verder in het gras. Eén blijft aan mijn trui hangen. Ik kijk ze na terwijl ze over mijn tuin verdwijnen en bedenk dat ik daarmee waarschijnlijk voor volgend jaar nog een paar honderd paardenbloemen heb besteld.

Nou ja. Eentje blijft koppig aan het kale steeltje hangen. Ik blaas opnieuw. Het beweegt, maar blijft zitten. Nog eens. Niks. Ik kijk even of Mevr Willy het ziet en veeg het er dan met mijn vinger af. Valsspelen. Maar na drieënzeventig jaar mag dat misschien.

Mevr Willy staat wat verder naar een plant te kijken die dringend gesnoeid moet worden. Ik loop naar haar toe. Morgen doe ik dat wel. Of overmorgen. We kuieren nog wat verder terwijl het langzaam donker wordt.

Wat ik gewenst heb, vertel ik niet. Dat mocht vroeger ook niet. Dat brengt ongeluk.

En daarbij, met mijn medisch dossier wil ik het lot niet uitdagen.