De Man die de Sterren terughing

Gepubliceerd op 25 september 2026 om 22:40

Er was eens, heel lang geleden, een dorp waar de mensen bang waren voor het donker. Dat was in die tijd niet zo vreemd, want donker betekende toen nog werkelijk donker. Wanneer de zon achter de heuvels verdween, verdwenen even later ook de huizen, de bomen en de weggetjes ertussen, en wie dan nog buiten moest zijn, liep wat sneller dan overdag en keek liefst niet te dikwijls achterom. In het donker kon immers van alles zitten. Meestal zat er niets, maar dat weet een mens natuurlijk pas wanneer hij weer veilig binnen is.

In dat dorp woonde een lantaarnmaker die Aurelius heette. Hij probeerde kaarsen, maar die waaiden uit, olielampen, waarvan op een ongelukkige dinsdag de halve bakkerij afbrandde, en zelfs glimwormen in glazen potjes. Ook dat mislukte. Zelfs een lantaarnmaker moet op een bepaald ogenblik erkennen dat niet alles zich laat organiseren.

Op een avond zat Aurelius voor zijn huis en keek naar de hemel, zwart en oneindig diep, bezaaid met zoveel sterren dat er nauwelijks plaats leek voor nog eentje. Waarom, dacht hij, probeer ik eigenlijk licht te maken terwijl daarboven miljoenen lichtjes liggen waar niemand iets mee doet?

Dus haalde hij zijn ladder.

Hoe hij daarmee tot aan de hemel geraakte, heeft nooit iemand kunnen verklaren. Dat hoeft ook niet. In die tijd konden ladders blijkbaar nog dingen waar ze tegenwoordig een vergunning voor nodig zouden hebben. Aurelius klom tot de bovenste sport en plukte voorzichtig een kleine ster tussen twee grotere vandaan. Hij hing haar aan een houten paal op het dorpsplein en die nacht hoefde niemand nog bang te zijn.
Eerst kwam er een ster op ieder plein, daarna in iedere straat en uiteindelijk in ieder huis. Na Aurelius kwamen zijn zoon, zijn kleinzoon en zoveel achterkleinzonen dat niemand nog precies wist wie van wie afstamde. Ze plukten sterren uit de hemel alsof het appels waren. Er waren er tenslotte genoeg. Dat zeggen mensen graag over dingen waarvan ze denken dat ze nooit opraken.

Eeuwen later werd in hetzelfde dorp Elias geboren. Ook hij werd lantaarnmaker, omdat zijn vader dat was en zijn grootvader eveneens, en ouders hebben nu eenmaal veel respect voor de vrije beroepskeuze van hun kinderen zolang die ongeveer overeenkomt met wat zij zelf in gedachten hadden. Elias reed iedere avond met zijn ladder door het dorp en wanneer ergens een ster was uitgedoofd, haalde hij een nieuwe uit de hemel.

De laatste tijd keek hij daarbij wat vaker omhoog. Hij wist niet precies waarom, maar tussen de sterren leken steeds grotere stukken donker te zitten. Misschien had hij daar vroeger gewoon nooit op gelet. Een mens kijkt zelden naar wat er nog genoeg is.
Op een avond moest hij een ster vervangen bij een klein huis aan de rand van het dorp. Daar woonde een oude man alleen. Hij zat op een bankje voor zijn huis met beide handen om een dampende mok en keek zwijgend toe terwijl Elias zijn ladder tegen de lantaarn zette.
"Was de hemel vroeger echt voller?" vroeg Elias.
De oude man keek omhoog. Er stonden nog maar enkele sterren, hier en daar eentje boven de horizon alsof iemand haar bij het leeghalen van de hemel vergeten was. "Veel voller.
"Hoeveel?"
"Zoveel dat ge niet wist waar ge eerst moest kijken."
Elias glimlachte. Oude mensen overdreven graag. Dat hoorde waarschijnlijk bij oud worden, samen met kreunen wanneer je uit een stoel opstond en vertellen dat tomaten vroeger nog naar tomaten smaakten. "En kon je dan slapen?"
"Juist wel."
"Maar het was donker."
"Ja," zei de oude man. "Daarom."
Elias klom van zijn ladder en ging naast hem zitten. Verderop brandden duizenden sterren in huizen en straten, maar boven hen was de hemel bijna zwart.
"Mijn vrouw kende de sterren allemaal," zei de oude man. "Niet hun echte namen. Ze had zelf namen bedacht. Daar stond de Kleine Scheve, daarnaast de Drie Zusters en eentje noemde ze Hector."
"Hector?"
"Geen idee. Ik heb meer dan veertig jaar met die vrouw samengewoond. Op den duur leert ge dat sommige vragen nergens toe leiden."
Hij glimlachte even, wat droevig. "Ze is dood."
"Lang geleden?"
"Lang genoeg om te weten dat het niet overgaat."
Daar wist Elias niets op te zeggen. Daarom zei hij niets, wat toevallig een van de verstandigste dingen was die hij die dag had gedaan.
Na een tijdje tikte de oude man met twee vingers tegen zijn borst. "Ze hebben bij mij binnenin ook iets gevonden dat daar niet hoort."
"Kunnen ze het weghalen?"
"Ze halen van alles weg. Ze bestralen dingen, geven pillen en maken foto's waarop ik eruitzie als een slecht onderhouden landkaart. Maar nee. Niet alles kan weg."
Boven hen brandde de nieuwe straatster veel te fel.
"Zijt ge bang?" vroeg Elias.
De oude man dacht even na. "Ja."
"Om dood te gaan?"
"Ook. Maar soms ben ik vooral bang dat iedereen zo druk bezig is mij langer te laten leven, dat ik vergeet dat ik nog leef."
Elias keek naar de dampende mok. "Wat drinkt ge?"
"Cappuccino."
"Is dat goed voor u?"
"Waarschijnlijk niet."
De oude man nam nog een slok. "Maar ge kunt ook overdrijven met gered worden."

Die nacht kon Elias niet slapen. Hij lag naar de ster aan zijn plafond te kijken en zag voor het eerst geen licht, maar een lege plek aan de hemel. Hij dacht aan alle sterren boven keukentafels, in gangen waar niemand liep en in kamers waar niemand was. En ergens boven al die daken lag een hemel die steeds leger werd.
De volgende avond draaide hij de ster voor het huis van de oude man uit haar lantaarn en hield haar omhoog. "Ga maar."
Er gebeurde niets. Hij gooide haar een stukje omhoog. Ze viel terug in zijn hand. "Allez."
Blijkbaar hadden zijn voorouders uitstekend geleerd hoe je sterren uit de hemel moest halen, maar had niemand ooit bedacht hoe je ze terugbracht. Mensen zijn daar soms bijzonder goed in. Iets uit elkaar halen lukt meestal aanzienlijk sneller dan ontdekken hoe het weer in elkaar moet.
Avondenlang probeerde Elias het. Uiteindelijk kwam de oude man naast hem staan. "Misschien weet ze niet meer waar ze thuishoort."
Samen keken ze naar de hemel. Heel lang. Tot de oude man naar een donkere plek tussen twee sterren wees. "Daar."
Elias legde de ster op zijn open hand. Deze keer zei hij niets. Misschien was dat het verschil. Ze trilde even, steeg langzaam op en werd kleiner en kleiner tot ze precies in dat donkere stukje hemel ging zitten.
"Daar hoort ze," zei de oude man.
De volgende nacht bracht Elias nog een ster terug en daarna nog één. Eerst verdwenen ze uit lege kamers, daarna uit tuinen en straten. De mensen klaagden natuurlijk. Ze struikelden over stoepranden, een winkelier beweerde dat zijn omzet daalde en de burgemeester hield een toespraak waarin hij zeven keer het woord veiligheid gebruikte. Elias liet hem uitpraten en bracht diezelfde avond nog drie sterren terug.

Langzaam gebeurde er iets vreemds. Mensen kwamen 's avonds opnieuw buiten. Niet omdat er iets te doen was. Juist niet. Ze gingen op bankjes zitten, kinderen ontdekten dat er boven de daken een wereld bestond die groter was dan het dorp en geliefden wezen sterren aan en verzonnen er namen voor, waarvan sommige aanzienlijk dommer waren dan Hector.

En iedere nacht werd de hemel een beetje groter.

De oude man zat vaak voor zijn huis met zijn cappuccino en Elias kwam dan naast hem zitten. Soms praatten ze. Soms niet. Ze hadden ontdekt dat stilte eigenlijk een uitstekend gesprek kon zijn wanneer niemand de behoefte voelde haar voortdurend op te vullen.
Op een avond kwam Elias aan en stond de stoel van de oude man leeg. De volgende avond ook.
Daarna vroeg hij niets meer.

Hij ging op het bankje zitten, maakte binnen een cappuccino die hem niet bijzonder goed lukte en keek omhoog. De hemel stond inmiddels vol sterren. Hij zocht de Kleine Scheve en de Drie Zusters. Ergens daar vlakbij moest Hector staan. Welke het precies was wist hij niet.

Dat gaf niet. Hij bleef zitten tot zijn koffie koud was. Daarna nam hij zijn ladder, liep naar de laatste lantaarn van de straat en draaide de ster voorzichtig los.
Het dorp werd donker. Echt donker. Ergens blafte een hond. Iemand vloekte omdat hij tegen een bloempot liep. Uit een slaapkamer klonk gelach. Daarna werd het stil.

Elias stond midden op straat en keek omhoog naar duizenden sterren die geen straat verlichtten, geen huis verwarmden, niemand genazen en eigenlijk nergens nuttig voor waren.

Ze waren er gewoon. Hij dacht aan de oude man, aan zijn lege stoel en aan die cappuccino die waarschijnlijk inderdaad niet goed voor hem was geweest. En aan wat hij ooit had gezegd. Dat ge ook kunt overdrijven met gered worden.
Elias trok zijn jas wat dichter om zich heen. Het was koud geworden en morgen moest hij vroeg op.
Maar hij ging nog niet naar huis. Want oven hem stond eindelijk weer een hemel.

En hij had nog lang niet alles gezien.