Er zijn kledingstukken die iets met een mens doen. Een goed pak maakt je vanzelf een paar centimeter groter. Een oude joggingbroek zegt dat het u allemaal even geen zak kan schelen. Een stropdas maakt van een gewone mens iemand die plots geacht wordt te weten waarover hij praat.
Een fluohesje geeft u gezag. Trek er eentje aan, ga naast een put staan en niemand vraagt wat ge daar doet. En een zwembroek maakt van een buik die thuis nog best meeviel ineens een publiek evenement.
En dan heb je het ziekenhuishemdje.
Dat maakt van een volwassen mens in ongeveer dertig seconden een patiënt.
Je kent dat ding wel. Zo'n veel te ruim geval dat ergens rond uw knieën eindigt, achteraan met twee lintjes die blijkbaar ontworpen zijn door iemand die nog nooit geprobeerd heeft ze zelf dicht te knopen. Je krijgt het aangereikt met de mededeling dat alles uit moet.
Alles?
Alles. En daar sta je dan.
Ik ben 73 jaar. Heb een vrouw, een zoon, kleinkinderen, heb gewerkt, een zaak gehad, belastingen betaald, beslissingen genomen, mensen gezegd wat ze moesten doen en vermoedelijk vaker gedacht dat ik het beter wist dan gezond voor mij was. Ik heb kanker en daardoor ondertussen ook een behoorlijke hoeveelheid ziekenhuizen vanbinnen gezien. Maar geef mij zo'n hemdje en plots ben ik zeven.
"Meneer mag daar even plaatsnemen."
Meneer doet dat.
Want dat is misschien nog het merkwaardigste. Je gehoorzaamt. Je trekt uw onderbroek uit als ze zeggen dat uw onderbroek uit moet. Je gaat op het bed liggen als ze zeggen dat je op het bed moet gaan liggen. Je draait je op je zij. Arm omhoog. Knieën optrekken. Niet bewegen. Even wachten.
En ondertussen hangt uw gat bloot.
Dat laatste is natuurlijk een detail. Ze hebben daar al duizenden blote konten gezien en die van mij zal vermoedelijk niet in de personeelskantine besproken worden. Ik heb trouwens ook geen enkele reden om te denken dat hij daar enige indruk zou maken.
Maar voor mij is het wel mijn gat.
En daar zit iets vreemds in. Kanker pakt behoorlijk veel van een mens af, maar in een ziekenhuis geef je ook vrijwillig een heleboel af. Je kleren. Je privacy. Een stuk zelfstandigheid. Soms zelfs de beslissing over wat er de komende uren met je gebeurt. Niet omdat iemand gemeen tegen je doet. Integendeel. De meeste verpleegkundigen doen hun uiterste best om vriendelijk te zijn.
En toch voel je je in zo'n hemdje klein.Hulpeloos zelfs.
Er komt iemand binnen die je nooit eerder hebt gezien, slaat het laken opzij en kijkt naar een lichaamsdeel waarvoor je buiten het ziekenhuis toch eerst minstens een cappuccino zou verwachten.
Niemand vindt dat vreemd. Behalve misschien degene die daar ligt. Ik begrijp best waarom die hemdjes bestaan. Ze zijn praktisch. Een arts moet ergens bij kunnen, verpleegkundigen moeten hun werk kunnen doen en bij een operatie lijkt een driedelig kostuum mij inderdaad wat onhandig.
Maar praktisch en menswaardig zijn blijkbaar niet altijd hetzelfde. Misschien zit daarom dat eerste moment mij zo tegen. Niet de scan. Niet de prik. Niet eens wat ze eventueel gaan vinden. Dat komt allemaal later.
Eerst moeten de kleren uit. Je vouwt ze netjes op een stoel. Broek. Trui. Onderbroek. Schoenen eronder. Alsof je straks gewoon weer naar huis gaat.
En eigenlijk ligt daar op die stoel nog iets.
De man die je een kwartier geleden was.
Die blijft daar even wachten tot je dat verdomde hemdje weer uit mag.