Het begon eigenlijk heel prettig.
Zaterdag ochtend werden we wakker. Goh, na bijna 9u slaap. Negen volle uren, een unicum. . Zo lang had ik niet meer geslapen sinds die hele pijnellende zijn kop had opgestoken.
En nou deed die zere rug wel flink pijn, maar niet overdreven. Bed uit, pijnstilling erin, wat tokkelen achter de pc, cappuccino,
Een doodgewone ochtend dus, voor zover die hier nog bestaan. Alleen deed mijn rechterhand vreemd. Pink wat gevoelloos, ringvinger vinger ook, duim koud en eigenlijk voelde heel die hand duidelijk kouder aan dan de andere.
Tja... Een normaal mens denkt dan waarschijnlijk: verkeerd gelegen. Dat dacht Mr Willy ook. Een minuut of twee.
Daarna begint ergens achteraan dat andere machientje te draaien. Hersenmetastase. Ruggenmerg. Nieuwe uitzaaiing. Rolstoel. Zenuw kapot. Bloedvat dicht. Die arm straks zwart. Hand eraf. Begrafenis volgende dinsdag.
Ge kent dat. Enfin, ik ken dat ondertussen. Dus eerst maar braaf rationeel geprobeerd te blijven. Wat bewegen, hand onder warm water, nog wat typen, de afwas gedaan in lekker warm water, zo van die dingen. Als ge dan toch onderweg zijt naar een neurologische ramp, kan de keuken beter maar proper zijn.
Alleen veranderde er niks. De hand bleef koud en gevoelloos. Niet erger, maar ook niet beter, en dat laatste begon me na een paar uur behoorlijk tegen te steken. Intussen zat in mijn hoofd zowat het volledige medisch personeel van Grey’s Anatomy al rond een operatietafel.
Dan maar naar de spoed. Mr Willy met zijn slapende hand, en achterin de wagen een hele zak muizenissen die gratis mochten meerijden. Op de spoed werd gekeken, gevoeld, getest en uiteindelijk mocht ik in de CT-scanner. Nek erin, apparaat rond mijn hoofd en ondertussen dat stomme wachten op het moment waarop iemand met zo’n gezicht komt binnengewandeld waarvan ge onmiddellijk weet dat ge liever een ander gezicht had gezien.
Maar dat gezicht kwam niet. Op de scan stond slijtage. Flink zelfs. C3-C4 had blijkbaar besloten dat het daarboven ook niet eeuwig twintig jaar oud kon blijven. Maar geen nieuwe metastasen, geen ingezakte nekwervels, geen nieuwe oncologische verrassing. En die koude, slapende hand? Waarschijnlijk gewoon een zenuw die ergens rond de elleboog gekneld had gezeten.
Dat was het. Een geknelde zenuw.
Daar had Mr Willy dus een halve dag voor nodig gehad, een rit naar de spoed, een CT-scan en in gedachten minstens drie nieuwe hoofdstukken van zijn medisch dossier. Voor een elleboog.
Achteraf kunt ge daar bijna om lachen. Bijna. Want ergens tussen mijn keuken en die CT-scanner was ik natuurlijk niet aan het lachen. Dan is er alleen dat bekende koude gevoel vanbinnen. Wat nu weer?
En dat is misschien nog het meest vermoeiende aan dat hele kankerbestaan. Een slapende hand is nooit meer zomaar een slapende hand. Een steek is geen steek, een pijnlijke rib is geen pijnlijke rib en een vreemde hoest blijft zelden lang gewoon een vreemde hoest. Alles krijgt meteen een nummer, een scan en een mogelijke afloop.
En het vervelende is: soms hébt ge gelijk. Daarom kunt ge uzelf ook nooit helemaal uitlachen.
Een paar uur later zat Mr Willy dus weer thuis. Twee handen. Alle vingers nog aanwezig. Geen nieuwe uitzaaiingen in de nek. Alleen ergens rond de elleboog een zenuw die blijkbaar tijdens mijn uitzonderlijk lange nachtrust klem was komen te zitten en daar sindsdien wat zat te mokken.
De hand slaapt nog een beetje.
Mr Willy ondertussen niet meer.