De Laatste Reserve

Gepubliceerd op 11 oktober 2026 om 09:58

Over de bergen van T4 en T5 hing een grauwe nevel. De grote oorlogsvuren waren gedoofd en waar nog maar enkele nachten geleden de aarde had gebeefd onder de hoeven van duizenden krijgers, klonk nu slechts het verre gekrijs van een enkele zwarte raaf. De slagvelden lagen verlaten, bezaaid met gebroken speren, verbrijzelde schilden en de resten van belegeringswerktuigen. De legers hadden zich teruggetrokken.

Hoog boven de vallei, in de zwarte burcht van T4, zat Ettertje op zijn troon. Zijn harnas was gebarsten, zijn helm gedeukt en de grote aanvallen waarmee hij wekenlang de verdedigingsmuren van Mr Willy had geteisterd, waren langzaam tot stilstand gekomen. De komst van de Orde van de Zilveren Naald had hem meer schade berokkend dan hij ooit zou toegeven. Die vervloekte krijgers waren langs vergeten onderaardse wegen doorgedrongen tot diep onder zijn vestingen, waar zij hun geheimzinnige wapens hadden achtergelaten. Sedertdien liepen zijn bevelen niet langer ongehinderd door het uitgebreide gangenstelsel. Sommige boodschappers verdwaalden, andere bereikten hun bestemming wanneer de strijd waarvoor zij waren uitgezonden allang voorbij was.

En beneden, aan de voet van de Ribbenwal, was een zonderlinge magiër verschenen die luisterde naar de naam Pregabaline. Hij had zijn geheimzinnige poeders over de verborgen verbindingswegen gestrooid en weldra liepen Ettertjes boodschappers in kringen, raakten bevelen zoek en werden brandende pijlen afgeschoten die nooit hun doel bereikten. Toen de magiër zijn krachten verdubbelde, werd de verwarring nog groter.
Zo was de macht van de zwarte heer langzaam afgenomen.

Doch Ettertje was niet verslagen.
Iedere nacht, wanneer de laatste wachtvuren in de vallei doofden en de verdedigers van Mr Willy eindelijk wat rust hoopten te vinden, verzamelde hij een handvol van zijn trouwste krijgers om zich heen. Gehuld in donkere mantels en gewapend met vlijmscherpe dolken daalden zij af door de verborgen gangen onder T4 en T5, tot zij de uitgestrekte gewelven onder de Grote Ribbenwal bereikten. Daar kenden zij iedere spleet en iedere vergeten doorgang. Als schaduwen bewogen zij zich langs de slapende wachters, op zoek naar een zwakke plek in de verdediging. Een dolk die plotseling tussen de stenen tevoorschijn schoot, een speer door een onbewaakte opening, een brandende pijl die uit het duister kwam aangevlogen en de nachtelijke stilte verscheurde.
Nog voordat de krijgshoorns alle wachters hadden gewekt, waren de zwarte krijgers alweer verdwenen in de diepten van de berg. Maar hun werk was gedaan. De wachters stonden opnieuw op de muren, de ruiters van OxyNorm werden uit hun slaap gehaald en overal in het rijk werden troepen in staat van paraatheid gebracht voor een vijand die tegen die tijd alweer verdwenen was.
De aanvallen waren kleiner geworden, maar juist daardoor misschien nog venijniger. Ze waren niet sterk genoeg om de muren te breken, wel om te verhinderen dat de verdedigers ooit werkelijk tot rust kwamen. Nacht na nacht moesten dezelfde uitgeputte legers opnieuw aantreden, terwijl hun krachten toch al tot het uiterste waren aangesproken.

De grote stormlopen van weleer bleven uit.
Ettertjes legers waren gehavend en zijn overgebleven krijgers hadden hun handen vol aan het verdedigen van de eigen vestingen. Voorlopig moest hij zich tevredenstellen met nachtelijke rooftochten en verraderlijke aanvallen. Maar zolang hij daarmee de legers van Mr Willy wakker, gespannen en uitgeput kon houden, was zelfs dat genoeg.

En er was meer, want ondertussen gebeurde er achter de zwarte muren iets wat Ettertje opnieuw hoop gaf.
Langs de donkere passen van het Oosten trokken kleine groepen vreemdelingen naar de burcht. Zij kwamen te voet, te paard en soms alleen, met hun gezichten verborgen onder grauwe mantels. Het waren geen ontzagwekkende legers die met donderend geweld door de bergpassen trokken, maar een gestage stroom nieuwe krijgers die achter de zwarte muren verdween. Iedere nacht kwamen er manschappen bij, iedere ochtend werden er nieuwe zwaarden gesmeed en in de diepste gewelven van T4 en T5 vulden de wapenkamers zich opnieuw.
Bij de poorten hielden de wachters nauwkeurig bij hoeveel nieuwe strijders de burcht binnenkwamen. Alles werd genoteerd in een groot zwart boek en onderaan iedere bladzijde stond één getal: de geschatte sterkte van Ettertjes leger.

De verkenners van Mr Willy hadden voor dat getal al jaren geleden een naam bedacht: PSA.
En dat getal steeg. Niet spectaculair. Niet met duizenden tegelijk. Maar gestaag genoeg om te weten dat Ettertje achter zijn muren langzaam opnieuw manschappen verzamelde

Aan de andere zijde van de vallei hield het rijk van Mr Willy nog altijd stand, maar tegen een verschrikkelijke prijs.
        Fentanyl, de machtige wachter uit de verre Nevellanden, stond dag en nacht op de buitenste kantelen. Zijn zware mantel ving de hevigste slagen van de vijand op, doch met zijn komst was een betovering over het rijk neergedaald die geen onderscheid maakte tussen vriend en vijand. Een dikke, sluimerende nevel kroop door de straten, drong de huizen binnen en legde zich over de schouders van de wachters, die steeds vaker hun speren als steun moesten gebruiken om overeind te blijven.
        Oxycodon, de geharnaste veldheer, had zijn legioenen verdubbeld en hield met ijzeren hand de hoofdpoort bezet. Waar zijn krijgers stonden, deinsden de zwarte horden terug, maar ook zij brachten een zware vloek met zich mee. Achter hun oprukkende gelederen bleef een bedwelmende damp hangen die zelfs de sterkste mannen langzaam van hun krachten beroofde.
         En dan waren er nog de ruiters van OxyNorm, de gevreesde cavalerie die bij iedere doorbraak werd uitgezonden. Hun zwaarden waren scherp, hun paarden snel, doch iedere uitval bracht een nieuwe golf van uitputting over het rijk, alsof de ruiters bij hun terugkeer niet alleen de vijand hadden verslagen, maar ook een deel van de levenskracht van hun eigen volk hadden meegenomen.
         Zelfs Pregabaline, wiens macht over de verborgen zenuwgangen zo noodzakelijk was geworden, verspreidde een sluimerende betovering die zich met de nevel van Fentanyl en Oxycodon vermengde. Zo gebeurde het dat de machtigste verdedigers van Mr Willy tegelijkertijd zijn grootste belasting werden.

Achter de muren begon het leven langzaam stil te vallen. De smeden lieten hun hamers rusten, de boeren vonden nauwelijks nog de kracht om hun akkers te bewerken en op de wachttorens stonden uitgeputte soldaten die door hun zware oogleden amper de bergen konden onderscheiden. De legers hadden hun uiterste grenzen bereikt. Meer nog, zij waren die grenzen reeds lang voorbijgetrokken en vochten verder op krachten die zij eigenlijk niet meer bezaten. De voorraden slonken, de gewonden bleven toestromen en iedere versterking die naar de muren werd gezonden, onttrok opnieuw manschappen aan een rijk dat zelf nauwelijks nog overeind bleef.
        Zelfs Mr Willy voelde zijn krachten wegvloeien. In de grote Kroniekenzaal, waar hij gewoonlijk de geschiedenis van zijn rijk op perkament vastlegde, begonnen de letters voor zijn ogen te dansen. De ganzenveer zakte langzaam uit zijn hand, zijn hoofd boog voorover en meer dan eens verdween hij midden in een onafgemaakte zin in een slaap waartegen zelfs de wilskracht van een koning niet langer bestand was.   
         In een kleine zijkamer van het paleis had men daarom een rustplaats ingericht. Ooit was dat bed bestemd geweest voor zijn oude dag, wanneer de oorlogen eindelijk voorbij zouden zijn. Nu moest hij er midden op de dag zijn toevlucht zoeken. Soms ontwaakte hij na nauwelijks een kwartier en keerde terug naar zijn kronieken, maar de nevel week nooit ver. Hij sloop achter hem aan en wachtte geduldig tot zijn ogen opnieuw dichtvielen.

Het rijk stond aan de rand van de afgrond. Niet omdat Ettertje op het punt stond de muren in één grote stormloop omver te lopen, maar omdat de verdediging zelf nauwelijks nog vol te houden was. Fentanyl hield wacht, Oxycodon stond dag en nacht aan de hoofdpoort, de ruiters van OxyNorm werden telkens opnieuw het veld ingestuurd en Pregabaline dwaalde onvermoeibaar door de zenuwgangen. Ze deden hun werk.

Dat was juist het probleem.
Iedere soldaat die Ettertje tegenhield, vrat tegelijk een stukje van de levenskracht van het eigen rijk op. De wachters vielen bijna rechtstaand in slaap, Mr Willy zakte boven zijn kronieken weg en het bed in de zijkamer was ondertussen even belangrijk geworden als de wapenkamer. De verdediging hield stand, maar als dit nog lang zo doorging, zouden die legers uiteindelijk een leeg rijk verdedigen.
Er moest dus iets gebeuren. Niet nóg meer ruiters. Niet nóg meer manschappen op de muren. Niet nog een extra laag nevel over een rijk dat nu al moeite had om wakker te blijven. Er moest iemand komen die niet alleen opnieuw tegen Ettertje vocht, maar die de strijdkrachten zelf wat lucht kon geven.

Op de negende dag van oktober kwam daarom de Hoge Krijgsraad bijeen. In de spaarzaam verlichte zaal lagen de kaarten van T4 en T5 uitgespreid over een lange eikenhouten tafel. Aan het hoofd zat de Oppergeneesheer. Lang bestudeerde hij zwijgend de zwarte vestingen, de beschadigde Ribbenwal en het rijk aan de andere kant dat zijn vijand voorlopig had weten tegen te houden, maar daarvoor vrijwel al zijn krachten had opgeofferd.

In de zwaar bewaakte arsenalen lagen nog andere wapens. Diep achter ijzeren deuren rustten de verzegelde geschriften van Radium, Cabazitaxel en Lutetium. Oude en nieuwe machten, elk met hun eigen gevaren, hun eigen beloften en hun eigen prijs. Maar vooralsnog bleven de zegels ongebroken. De tijd om die arsenalen te openen zou komen, maar misschien nog niet vandaag. Eerst werd uit de diepste vertrekken van het paleis een naam tevoorschijn gehaald die al langer in de oude geschriften stond, maar die men tot dan toe met enige voorzichtigheid had uitgesproken.

Dexamethason.

Geen gewone soldaat. Geen nieuwe ruiter die nog een vijand moest neerslaan. Dexamethason was een magiër uit de oude Orde der Witte Geneesheren, bekend om een heel andere gave. Hij vocht niet rechtstreeks tegen Ettertje. Hij zocht de verborgen vuurhaarden op die diep onder de Ribbenwal brandden, de plaatsen waar de zwarte heer zijn hitte, zwelling en onrust door de stenen joeg, en probeerde juist dát vuur te doven.
Als hij daarin slaagde, konden misschien eindelijk enkele van de andere legioenen een stap terugzetten. Misschien hoefde OxyNorm niet meer iedere paar uur met schuimende paarden door de poort te stormen. Misschien kon Oxycodon een deel van zijn manschappen terugtrekken. Misschien konden de wachters van Fentanyl eindelijk eens van de kantelen afdalen en zouden de nevels die over het rijk hingen langzaam wat dunner worden.

Dat was de hoop. Niet dat Dexamethason de oorlog zou winnen. Maar dat hij de verdedigers genoeg ademruimte zou geven om überhaupt verder te kunnen vechten.
Veel alternatieven waren er op dat ogenblik niet meer voordat de grote arsenalen werkelijk geopend moesten worden. En ook over Dexamethason stonden waarschuwingen in de oude boeken. Zijn magie kon krachtig zijn, maar wie hem lang aan het hof hield, betaalde daar soms een prijs voor. Mr Willy kende dat soort tovenaars inmiddels. Ze kwamen nooit alleen. Achter hen liepen vollemaansgezichten, dunne huiden en nog een hele stoet kleine duiveltjes die ge meestal pas zag wanneer ze al binnen waren.

Maar het rijk had niet langer de luxe om kieskeurig te zijn.

Op de avond van de negende oktober werd de poort geopend. Dexamethason kwam binnen. Geen fanfare. Geen juichende menigte. Geen duizenden ridders achter hem. Alleen een uitgeput rijk dat hem aankeek met ongeveer dezelfde gedachte:

Doe iets.

En die nacht gebeurde er iets wat bijna nog indrukwekkender was dan een overwinning.

Niets.

Geen aanvalshoorns vanuit T4. Geen ruiters van OxyNorm die halsoverkop uit hun kwartieren moesten worden gehaald. Geen dolken die midden in de nacht door de Ribbenwal staken. Mr Willy werd enkele keren wakker, deed wat een man van drieënzeventig ’s nachts nu eenmaal geregeld moet doen, kroop opnieuw onder de dekens en sliep verder.

Aan de overzijde bleef T4 stil.

Toen de zon de volgende ochtend over de bergen kroop, stonden de wachters verbaasd op hun kantelen. Hier en daar kringelde nog rook uit een vergeten spleet. Aan de linkerzijde van de Ribbenwal prikte nog een klein vuur en ergens tussen de ruggengraat en het schouderblad lag blijkbaar nog een vijandelijke boogschutter die af en toe een pijl liet vliegen.

Niemand durfde te juichen. Eén rustige nacht en één rustige dag maken nog geen gewonnen oorlog. Misschien had Ettertje zich simpelweg verslapen. Misschien zat hij achter zijn muren zijn messen opnieuw te slijpen en stond hij de volgende nacht weer voor de poort met bijl, zaag en lunchpakket.
Maar ook de tweede nacht kwam.
Ze was minder rustig. Mr Willy werd geregeld wakker en ergens onder de Ribbenwal liet Ettertje af en toe nog weten dat hij niet vertrokken was. Maar de pijn bleef binnen de muren van wat draaglijk was. Er was geen reden om uit bed te komen, geen reden om de legioenen op te trommelen,  geen nachtelijke vlucht naar de Kroniekenzaal, geen uren rondlopen tot de aanval eindelijk bedaarde.
Meer nog. Ergens in de nacht werd Mr Willy wakker en ontdekte dat hij op zijn slechte zijde lag. De zijde die Ettertje hem wekenlang vrijwel had verboden.
Toen begonnen de wachters op de muren toch wat anders naar de witte magiër te kijken.
Niet als naar de man die de oorlog gewonnen had. Daarvoor kende men Ettertje inmiddels te goed. Maar misschien had Dexamethason iets gedaan wat al die zwaarbewapende legers niet voor elkaar hadden gekregen: hij had het slagveld zelf wat rustiger gemaakt.
En dat was meer dan men enkele dagen geleden nog had durven hopen.

Op de drieëntwintigste dag van oktober zouden de meesters van het Huis der Pijnmeesters opnieuw bijeenkomen. Dan zouden de oude kaarten worden ontvouwd en de krachten van de bondgenoten gewogen. Dan zou blijken hoeveel verdediging nog nodig was en hoeveel levenskracht het uitgeputte rijk ondertussen had teruggewonnen.
Maar op de ochtend van de elfde oktober was dat nog ver weg.

Mr Willy stond opnieuw op de kantelen. Beneden wachtte het leger dat hem al die weken overeind had gehouden. Straks zou het weer aantreden.
Alleen leek het voor het eerst sinds lang alsof het misschien niet eeuwig met volle sterkte hoefde te blijven vechten.
Naast hem stond Dexamethason.
Aan de overkant stond Ettertjes zwarte burcht nog altijd waar ze altijd had gestaan.
En toch zag de vallei er die ochtend een beetje anders uit.