In een mensenleven krijgt een mens er we een hoop familie bij. Schoonfamilie, aangetrouwde familie, verre neven waarvan ge pas op een begrafenis ontdekt dat ze bestaan, en natuurlijk die ene nonkel die na drie glazen wijn begint uit te leggen wat er allemaal mis is met de wereld.
Nou, zo'n jaar of zes geleden kreeg ik er nog een familie bij. Zonder huwelijk, zonder geboorte en zonder dat iemand mij ook maar iets gevraagd had.
Ik kreeg kanker. En blijkbaar wordt ge dan automatisch lid van een familie waarvan ge het bestaan voordien nauwelijks vermoedde. Geen welkomstpakket, geen lidkaart, geen jaarlijkse barbecue. Wel een verzameling mensen die elkaar kennen via computerschermen, ziekenhuizen en medische uitslagen. Mensen die ge op straat straal voorbij zoudt lopen, maar van wie ge ondertussen weet hoeveel chemokuren ze achter de kiezen hebben en of hun laatste scan een beetje meegevallen is.
Op kanker.nl vond ik er een hele bende. Allemaal kankerlijers. De ene al wat verder gevorderd in zijn ellende dan de andere, maar allemaal met hetzelfde ongewenste huisdier ergens in hun lijf. We schreven, lazen, vloekten, lachten en probeerden elkaar af en toe wat overeind te houden.
Tot iemand op het lumineuze idee kwam dat we elkaar misschien ook eens in het echt moesten ontmoeten. Alsof we aan onze kanker alleen nog niet genoeg problemen hadden.
Die iemand was Zweef.
Een van de nestors van kanker.nl. En vooral een man die niet bleef zitten wachten tot een ander iets organiseerde. Hij was de grondlegger van de Kamindo, een bijeenkomst waar al die namen achter de computerschermen plots een gezicht kregen. Een paar keer per jaar. Een plaats zoeken, mensen samenbrengen, zorgen dat de boel geregeld raakte. Want zo'n bijeenkomst komt er niet vanzelf. Ge kunt op een forum nog zo hard roepen dat we eens moeten afspreken, als niemand vervolgens iets organiseert, zit iedereen drie maanden later nog altijd achter zijn eigen toetsenbord.
Zweef zorgde ervoor dat er een tafel kwam.
En ik ben bij alle Kamindo's geweest.
Stel u dat eens voor. Een zaal vol mensen die elkaar voordien vooral kenden van hun prostaat, borsten, darmen, longen en andere lichaamsdelen die zich niet behoorlijk gedragen hadden. En nu zaten ze daar ineens, aangekleed en wel, alsof het een doodgewone familiebijeenkomst was.
Aan de ene kant iemand zonder prostaat, aan de andere kant een vrouw zonder borst. Verderop iemand met een halve maag, iemand met een stuk darm minder en een mevrouw die haar pruik even afzet omdat het binnen veel te warm is.
"Zeg, kunt ge dat ding niet wat verder leggen? Ik krijg precies haren in mijn soep."
"Zwijg gij maar. Ik heb tenminste nog haar dat ik kan afzetten."
De eerste minuten verlopen zoals op ieder behoorlijk familiefeest. Iedereen vraagt hoe het gaat.
"Goed, en met u?"
"Ook goed."
Een hele tafel vol mensen die goed zijn. Ge zoudt bijna denken dat we per vergissing op een bijeenkomst van de plaatselijke wielertoeristenclub terechtgekomen zijn. Maar na de soep komen de tongen los.
"En, hoe staat het met uw PSA?"
"Gestegen."
"Hoeveel?"
"Van 0,8 naar 1,2."
"Amai."
Aan de andere kant van de tafel roept iemand dat hij blij zou zijn met zulke cijfers.
"Ja maar, ge moet weten van waar ik kom."
De ober blijft even staan. Hij heeft geen flauw idee waarover het gaat. PSA klinkt hem waarschijnlijk als een nieuwe belasting op alcoholische dranken.
Een vrouw vertelt over haar laatste bestraling. Iemand anders heeft een nieuwe behandeling gekregen waarvan niemand de naam behoorlijk kan uitspreken. We proberen het met z'n allen en na drie pogingen klinkt het alsof we een Pools dorp proberen te veroveren. Dan begint het gemopper over de medicatie.
"Ik kan er niet van slapen."
"Ik slaap er juist de hele dag van."
"Ik heb voortdurend diarree."
"Ik zou verdorie blij zijn als ik eens behoorlijk naar het toilet kon."
Kijk, dát zijn gesprekken die ge op een gewoon familiefeest zelden hoort. Toch niet vóór het dessert.
En er wordt gelachen. Veel gelachen. Met kale koppen, verdwenen lichaamsdelen, incontinentiebroeken en dokters die met een ernstig gezicht vertellen dat ge vooral positief moet blijven.
"Positief?" roept iemand. "Ik heb al zes jaar positieve scans. Van mij mogen ze eindelijk eens negatief worden!"
Zelfs de ober lacht.
Hij begint ons stilaan te begrijpen.
Of dat denkt hij toch.
Want tussen de grappen door gebeuren er andere dingen. Een vrouw legt even haar hand op de arm van haar buurman wanneer die vertelt dat zijn behandeling niet meer aanslaat. Iemand vraagt naar de kinderen van een ander. Een man die de hele tijd de grootste mond had, wordt plots heel stil wanneer iemand een naam noemt.
Aan deze tafel worden geen lange verklaringen gevraagd. Ge hoeft niet uit te leggen waarom ge bang zijt voor een bloedonderzoek, waarom ge de nacht vóór een scan nauwelijks slaapt of waarom ge op een goede dag toch ineens kunt beginnen huilen omdat iemand vraagt hoe het met u gaat. Iedereen weet het al.
Dat is misschien nog het aangenaamste aan deze familie. Ge moet hier niet voortdurend de dappere patiënt uithangen. Ge moogt ook gewoon een ambetante oude vent zijn.
Zoals ik.
En Zweef had dat allemaal mogelijk gemaakt. Niet de kanker natuurlijk, daar had hij voor zover ik weet geen aandelen in, maar dat samenzijn. Dat mensen die elkaar anders nooit zouden ontmoeten, ineens tegenover elkaar zaten en ontdekten dat er achter al die medische miserie ook nog een mens schuilging. Een mens die graag lachte, graag vertelde en soms ook gewoon eens over iets anders wilde praten dan over zijn laatste bloeduitslag.
Ondertussen gingen de jaren voorbij. De Kamindo's bleven komen. En ik ook. Geen enkele gemist. Ge laat uw familie tenslotte niet zomaar zitten, zelfs niet wanneer ge ze liever onder heel andere omstandigheden had leren kennen.
Maar er veranderde iets aan die bijeenkomsten.
Sommige mensen kwamen niet meer.
Eerst denkt ge dat ze verhinderd zijn. Een behandeling misschien. Te moe om te reizen. Een slechte periode. Dat kennen we allemaal. Dan hoort ge dat iemand in het ziekenhuis ligt. En soms komt er uiteindelijk dat bericht waar ge op een kankerforum nooit helemaal aan went. Overleden. Eén woord. Een heel mensenleven dat plots in de verleden tijd moet worden geschreven.
En dan zit ge op een volgende Kamindo en merkt ge dat iemand ontbreekt. Ge herinnert u nog waar hij de vorige keer zat. Wat hij vertelde. Hoe hij lachte. Misschien zelfs wat hij gegeten heeft. Een mens kan zich de meest onnozele dingen herinneren van iemand die er niet meer is.
En ondertussen wordt er alweer koffie geschonken. Zo gaat dat.
Begin dit jaar overleed Zweef.
De man die de Kamindo op poten had gezet. Die ervoor gezorgd had dat al die losse eilandjes van kanker.nl af en toe één groot gezelschap werden. Die jarenlang mensen bij elkaar had gebracht, was er zelf niet meer.
En ge zoudt denken dat daarmee ook de Kamindo stilaan zou verdwijnen. Want zo gaat dat dikwijls. Iemand neemt het initiatief, trekt jarenlang aan de kar en wanneer die persoon wegvalt, blijft de kar ergens langs de kant van de weg staan. Niemand weet nog precies wie de sleutel heeft.
Maar Zweef had blijkbaar zijn volk goed uitgekozen.
Sinds zijn overlijden zijn er alweer twee Kamindo's geweest. Zonder hem. Alhoewel...
Want telkens wanneer die bende kankerlijers opnieuw bij elkaar kruipt, zit Zweef er toch een beetje tussen. Niet als een geest die plechtig boven de tafel zweeft, al zou zijn schuilnaam daar bijzonder geschikt voor zijn. Maar gewoon omdat hij de reden is dat al die mensen elkaar ooit hebben leren kennen.
En ze zijn van plan ermee door te gaan. Minstens eenmaal per jaar. Een Kamindo, ook om Zweef te herdenken. Een familiefeest waarop de grondlegger zelf niet meer kan verschijnen.
Ik stel mij voor hoe dat zou gaan.
De ober komt langs met zijn notitieboekje.
"Voor hoeveel personen?"
Ik begin te tellen. Hier iemand met prostaatkanker, daar iemand met borstkanker, verderop een paar oude bekenden. Nieuwe gezichten ook. Want deze familie blijft groeien, zelfs terwijl er mensen verdwijnen.
"En die plaats daar, meneer? Is die nog vrij?"
Ik kijk naar de stoel.
Die van Zweef.
"Daar zat onze organisator."
"Komt hij nog?"
"Nee."
"Zal ik die stoel dan weghalen?"
Ik kijk de tafel rond. Er wordt alweer gelachen. Iemand vertelt een mop die waarschijnlijk niet geschikt is voor gevoelige oren. Een ander vraagt of er nog koffie is. Aan de overkant wordt druk gediscussieerd over een medicijn waarvan niemand de naam kan onthouden.
"Laat maar staan."
De ober knikt en loopt verder.
Even later komt hij terug.
"Er is nog iemand aangekomen, meneer. Mag die erbij?"
"Natuurlijk."
"Waar zal ik hem zetten?"
Ik kijk naar de lege stoel.
Even maar.
"Zet er maar eentje bij."
En terwijl de ober een nieuwe stoel aanschuift, begint aan het andere uiteinde van de tafel iemand alweer een verschrikkelijk slechte mop te vertellen.
Ik lach mee.
En ergens hoor ik Zweef alweer vragen wie er volgend jaar de zaal gaat vastleggen.