Substance X

Gepubliceerd op 17 oktober 2026 om 20:21

Het begon met een gif.

Niet zomaar een gif waarmee ge een vervelende schoonmoeder uit de weg kon ruimen, maar een behoorlijk smerig oorlogswapen. Mosterdgas. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd het gebruikt om soldaten uit te schakelen. Het veroorzaakte verschrikkelijke brandwonden, beschadigde de longen en kon mensen blind maken. Wie het overleefde, was daarmee nog niet noodzakelijk goed af. Oorlog voeren was in die tijd al een bijzonder onaangename bezigheid, maar blijkbaar vonden sommige heren achter hun schrijftafel dat het allemaal nog wat efficiënter kon.

En toch begon precies daar een van de merkwaardigste hoofdstukken uit de geschiedenis van de kankerbehandeling.
Artsen hadden namelijk vastgesteld dat mosterdgas niet alleen aan de buitenkant van een mens schade aanrichtte. Ook binnenin ging het behoorlijk tekeer. Het tastte het beenmerg aan, vernielde witte bloedcellen en beschadigde het lymfestelsel. Voor een soldaat was dat uiteraard bijzonder slecht nieuws.

Maar ergens begon een wetenschapper zich af te vragen of ge dat vernietigende vermogen misschien ook tegen kanker kon gebruiken. Dat moet ge toch maar bedenken. Ge hebt een stof die ontworpen is om mensen kapot te maken en ge vraagt u af of ge er misschien mensen mee kunt redden.

We springen naar augustus 1942. De Tweede Wereldoorlog is volop bezig en in een ziekenhuis in New Haven, Amerika, ligt een man van 47 jaar. Zijn naam kennen we niet. In de medische geschiedenis wordt hij alleen J.D. genoemd. Hij was afkomstig uit Polen, naar Amerika geëmigreerd en werkte in een fabriek waar kogellagers werden gemaakt. Geen vrouw, geen kinderen, voor zover bekend geen familie in zijn onmiddellijke omgeving. Hij woonde alleen in een gehuurd huis met vier kamers.

En hij had kanker. Lymfeklierkanker, om precies te zijn. De gezwellen in zijn hals waren ondertussen zo groot en hard geworden dat hij zijn hoofd nauwelijks nog kon bewegen. Eten ging moeilijk, slapen eveneens. Bestraling had niet geholpen en de artsen hadden eigenlijk niets meer in de aanbieding.

Dat laatste zinnetje kennen we tegenwoordig nog altijd. We hebben eigenlijk niets meer in de aanbieding.
Alleen hadden ze in 1942 nog veel minder in de aanbieding dan vandaag.

Maar aan de universiteit van Yale waren twee onderzoekers, Louis Goodman en Alfred Gilman, bezig met een geheim militair onderzoek naar chemische oorlogsmiddelen. Ze hadden geëxperimenteerd met stikstofmosterd, een chemische verwant van het beruchte mosterdgas. Bij proefdieren bleken bepaalde gezwellen daardoor aanzienlijk te krimpen.

En toen kwam iemand op het idee om het bij een mens te proberen. Bij J.D.
Ik probeer mij dat gesprek voor te stellen.
“Mijnheer, we hebben misschien nog een mogelijkheid.”
“Een nieuwe behandeling?”
“Ja.”
“Helpt ze?”
“Dat weten we niet.”
“Is ze gevaarlijk?”
“Ja.”
“Wat zit erin?”

Tja.

Dat laatste konden de artsen zelfs niet behoorlijk vertellen. Het onderzoek viel onder militaire geheimhouding. In de medische dossiers werd de stof omschreven als een chemisch middel dat lymfecellen vernietigde. Ze kreeg ook de naam Substance X.

Klinkt als iets waarmee een krankzinnige professor in een stripverhaal probeert de wereld te veroveren. En eigenlijk zat de werkelijkheid daar niet eens zo ver vandaan.
Op 27 augustus 1942, om tien uur 's morgens, kreeg J.D. zijn eerste injectie. Een stof die verwant was aan een oorlogswapen, rechtstreeks in zijn bloedbaan. Niemand wist of het zou werken. Niemand wist precies hoeveel een mens ervan kon verdragen. De dosis was berekend op basis van proeven met dieren.
En J.D.? Die had weinig meer te verliezen.

Maar toen gebeurde er iets. Na enkele dagen werden de gezwellen zachter. J.D. kon opnieuw beter slapen. Eten ging gemakkelijker. Hij kon zijn hoofd weer bewegen. Zelfs zijn armen over zijn borst kruisen, iets wat al weken niet meer gelukt was. De artsen zagen de kanker letterlijk terugwijken. Na ongeveer een maand was er bij onderzoek geen tumor meer aantoonbaar.
Stel u dat eens voor. Ge ligt daar, ge kunt nauwelijks nog uw hoofd draaien, ge weet dat ge aan het sterven zijt en dan spuiten ze u iets in waarvan ge nog nooit gehoord hebt.
En plotseling kunt ge weer bewegen. Weer eten. Weer slapen.
Maar Substance X had nog een tweede kant.
Terwijl het middel de kanker aanviel, begon het ook de gezonde cellen van J.D. te beschadigen. Zijn beenmerg kreeg zware klappen. Het aantal witte bloedcellen daalde gevaarlijk. Zijn bloedplaatjes eveneens. Hij kreeg bloedingen en had transfusies nodig.
En ondertussen had de kanker iets geleerd. De cellen die de behandeling hadden overleefd, bleken er steeds minder gevoelig voor. De gezwellen kwamen terug. Nieuwe behandelingen hielpen nog maar kort.

Op 1 december 1942 stierf J.D.

Zesennegentig dagen na zijn eerste injectie.
Hij had de kanker niet overwonnen. Maar hij had wel aangetoond dat kanker met een geneesmiddel via het bloed kon worden aangepakt. Iets wat voordien nauwelijks mogelijk werd geacht.
En daar begon de moderne intraveneuze chemotherapie.

Tachtig jaar later zit Mr Willy achter zijn computer. En ik moet toegeven dat er ondertussen behoorlijk wat veranderd is. We hebben chemotherapie, hormoontherapie, immunotherapie, doelgerichte medicijnen, bestralingstechnieken waar ze in 1942 zelfs geen woorden voor hadden en machines die zowat ieder verdacht plekje in uw lijf kunnen opsporen.

Ik heb er ondertussen een behoorlijk aantal van dichtbij leren kennen.

Docetaxel bijvoorbeeld. Zes kuren. Zes keer een chemisch offensief tegen Ettertje, die blijkbaar al vroeg besloten had dat hij zich niet zomaar uit mijn lijf zou laten zetten.
En ge kent dat wel. De artsen proberen de kanker te vernietigen, terwijl de rest van uw lichaam vriendelijk verzocht wordt de bombardementen een beetje te verdragen. Dat lukt niet altijd even goed. Mijn voeten weten daar nog altijd van mee te spreken. Die hebben na al die jaren blijkbaar besloten dat een behoorlijk gevoel niet meer tot hun takenpakket behoort.En tegenwoordig is er opnieuw een halve apotheek nodig om de gevolgen van Ettertjes activiteiten binnen de perken te houden. Vrienden die mij helpen, jawel. Maar waarvan sommige mij ondertussen zo suf maken dat ik achter mijn computer soms niet meer weet of ik een blog aan het schrijven ben of mij stilaan aan het voorbereiden ben om met mijn voorhoofd de spatiebalk te bedienen.

De geneeskunde heeft in al die jaren onvoorstelbare vooruitgang geboekt. Alleen is dat oude probleem van J.D. nog altijd niet helemaal verdwenen. Hoe hard kunt ge de vijand aanpakken zonder onderweg uw eigen troepen te veel schade toe te brengen? En wat doet ge wanneer de vijand na een tijdje niet meer reageert op de wapens die hem voordien nog behoorlijk op zijn donder gaven?
Dat zijn vragen waar ze in 1942 mee worstelden. En waar mijn oncoloog vandaag nog altijd mee bezig is. Met gelukkig een veel groter arsenaal.

Ik denk nog even aan J.D. Een man die alleen woonde, in een fabriek werkte en in augustus 1942 een beslissing moest nemen waar geen enkele gebruiksaanwijzing voor bestond.

Hij wist dat hij zou sterven als er niets gebeurde. En dat hij misschien ook zou sterven als er wél iets gebeurde.
Dus stak hij zijn arm uit. De arts gaf hem een injectie. En voor het eerst begon een vergevorderde kanker onder invloed van een geneesmiddel via de bloedbaan zichtbaar terug te wijken.

J.D. heeft er uiteindelijk zelf weinig aan gehad. Drie maanden later was hij dood. Maar zijn behandeling zou mee de basis leggen voor geneesmiddelen waarmee later miljoenen mensen behandeld werden.

Substance X kreeg een keurige plaats in de medische geschiedenis.

J.D. kreeg twee letters.

P.S.

Voor wie meer wil weten over J.D., Substance X en het merkwaardige ontstaan van de moderne chemotherapie: de Yale School of Medicine publiceerde hierover een uitgebreid artikel (in het Engels).

The Birth of Chemotherapy at Yale: From Wartime Secrecy to Modern Cancer Care