De Sukkelstraat

Gepubliceerd op 18 oktober 2026 om 21:52

Een mens verhuist niet vrijwillig naar de Sukkelstraat. Ge krijgt er geen folder van in de bus en er staat ook geen makelaar klaar om u te vertellen dat het een rustige buurt is, dicht bij winkels en openbaar vervoer. Ge belandt er gewoon. Meestal via een klein zijstraatje waarvan ge denkt dat ge er zo weer uit zijt. Bij mij stond aan het begin van dat straatje gewoon een bordje: PIJN.

Ettertje had besloten dat die twee rugwervels wat meer aandacht verdienden en begon steeds nadrukkelijker van zich te laten horen. Eerst viel daar nog mee te onderhandelen. Anders gaan zitten, even bewegen, pilletje nemen en verder. Maar naarmate de weken verstreken trok Ettertje zich steeds minder aan van overleg en uiteindelijk waren er nachten waarop liggen niet ging, zitten niet ging en ik door het huis liep omdat alleen bewegen nog enigszins hielp.
Dus kwam de pijnstilling. En toen die onvoldoende hielp, wat meer pijnstilling. Daarna nog wat. Een pleister erbij, zenuwpijnmedicatie omhoog, oxycodon omhoog, OxyNorm voor wanneer Ettertje toch weer door de verdediging brak, en tegen dat heel dat gezelschap zijn plaats in mijn lijf gevonden had, begon de pijn eindelijk wat terrein prijs te geven.
Alleen bleek Mr Willy onderweg zelf ook behoorlijk wat terrein te hebben verloren. 
Mijn ogen vielen achter de computer dicht, mijn hoofd zakte naar voren en een middagdutje veranderde van een luxe voor gepensioneerden in een vast onderdeel van de dienstregeling. Soms liep ik door het huis alsof ik de hele namiddag stevig in het café had gezeten.
Pfff... En dat terwijl Ettertje intussen zelfs dat kleine flesje wijn bij onze wekelijkse tête-à-tête van tafel had geveegd en ik al weken geen druppel alcohol meer had aangeraakt.
 
Maar goed. De pijn moest weg. En dat meen ik nog altijd. Zet mij voor de keuze tussen die helse pijn van een paar weken geleden en een halve dag suf rondlopen, en ik kies voorlopig zonder veel nadenken voor die sufheid. Pijn vreet namelijk alles op. Uw slaap, uw humeur, uw zin om iets te doen, uw hele dag. Levenskwaliteit heet dat tegenwoordig, een woord waar ik vroeger nauwelijks bij stilstond en dat ondertussen behoorlijk hoog op mijn persoonlijke woordenlijst staat.

Dus namen we de sufheid erbij. Een paar huizen verder in de Sukkelstraat bleek de obstipatie te wonen. Een darm die dagelijks flinke hoeveelheden opioïden krijgt, vindt blijkbaar dat hij ook recht heeft op arbeidsduurvermindering. En voor ge het weet zijt ge in de weer met zakjes, siropen, poeders en producten die ge in water oplost terwijl ge probeert niet te veel na te denken over hoe ge van twee pijnlijke rugwervels bij een glas laxeermiddel terecht zijt gekomen. En wanneer die darmen vol zitten, gaat het plassen weer moeilijker. Alles daar beneden lijkt dan soms tegelijk te besluiten dat het voor vandaag welletjes geweest is.

Intussen bleef ik nochtans bewegen. Veertig trappen in huis, meerdere keren per dag. Oncorevalidatie. Wandelen. Af en toe wat joggen. Een IKEA-kast in elkaar zetten wanneer ik vond dat mijn dag nog niet ingewikkeld genoeg was. En toch verdween de kracht. Niet spectaculair, niet van vandaag op morgen. Ge merkt het aan gewone dingen. Een gewicht dat ge vroeger gewoon oppakte, wordt ineens iets waar ge eerst even naar kijkt. Vijfentwintig kilo is geen zak meer maar een onderneming. De benen brengen mij nog altijd boven, maar ergens onderweg hebben ze een flink deel van hun paardenkracht ingeleverd. Hormoonbehandeling, corticosteroïden, maanden pijn, zware medicatie, minder reserve... kies maar uit. Waarschijnlijk hebben ze allemaal een aandeel.
En toen begon ook de bekkenbodem zich met de zaak te bemoeien. Sinds mijn prostaatoperatie is urineverlies nooit helemaal onbekend geweest, maar ik had dat behoorlijk onder controle. Goede bekkenbodemspieren, wat opletten, Tena nummer één voor de zekerheid en daarmee was het verhaal meestal verteld. De laatste tijd niet meer.
Overdag werd het urineverlies langzaam wat meer. Niet dramatisch. Een Tena nummer één hield de zaak meestal netjes binnen de oevers, zolang zo'n ding tenminste bleef zitten zoals de fabrikant het ooit op een perfect stilstaande plastic proefpop had uitgetekend. Lastig, maar beheersbaar. Nog zoiets waarvan ge denkt: vooruit dan maar, zet het maar bij de rest.

Alleen bleek de Sukkelstraat ook een nachtwijk te hebben.
De eerste keer werd ik wakker en dacht ik nog dat er gewoon iets verkeerd gelegen had. Dat kan. Een mens draait in zijn slaap, een Tena schuift mee en voor ge het weet heeft de waterkering ergens een lek. De tweede nacht werd die uitleg wat moeilijker. Rond tien uur kroop ik in bed en sliep als een roosje. Om twee uur werd ik wakker en nog voor ik goed en wel wist waar ik was, voelde ik dat er iets niet klopte. De kleine dijk die overdag zijn werk nog behoorlijk deed, was compleet overstroomd. Tena vol, pyjama nat.

En daar staat ge dan, midden in de nacht, drieënzeventig jaar oud, in een slaapkamer die nog maar pas ingericht is om het allemaal wat gemakkelijker te maken, met een natte pyjamabroek in uw handen. De Sukkelstraat heeft blijkbaar ook huizen waar ge liever niet gezien wordt.

Het eigenaardige was dat mijn blaas niet eens leeg was. Nadat ik mij had omgekleed, kon ik nog een flinke plas doen. Wanneer ik wakker ben kan ik mijn bekkenbodem ook gewoon aanspannen en de boel tegenhouden. De bewaking werkt dus nog. Alleen lijkt de nachtwacht af en toe zonder iets te zeggen zijn post te verlaten. Waarschijnlijk  door de medicatie. Misschien door de spierzwakte. Misschien doordat ik tegenwoordig zo diep slaap dat mijn blaas ergens onderaan op de bel staat te duwen terwijl boven niemand nog opendoet.

Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ge op zo'n moment heel even ver weg zijt van alle stoere verhalen over kanker bestrijden, behandelingen doorstaan en Ettertje van de muren jagen. Dan staat er geen geharnaste Mr Willy in een epische veldslag. Dan staat er gewoon een oude vent om twee uur 's nachts zijn natte pyjama uit te trekken. En ja, dat komt binnen.

Het absurde is dat ik dit blog nu alweer om drie uur 's nachts zit te schrijven. Klaarwakker. Geen slaap meer, maar ook geen helse pijn. Geen mes onder mijn schouderblad, geen rug die mij uit bed jaagt, geen rondjes door het huis omdat liggen niet meer gaat. Ettertje houdt zich voorlopig redelijk koest. En dan wordt zo'n natte pyjama plots relatief.
Niet aangenaam. Niet iets waarvan ik denk: kom, laten we dat voortaan iedere nacht doen. Maar als dit voorlopig de prijs zou zijn voor nachten zonder die pijn, dan weet ik heel goed welke rekening ik betaal.

En nee, ik ga daarom nu ook niet zelf aan de pijnmedicatie zitten prutsen. Terwijl ik dit schrijf voel ik alweer wat pijn. Niet veel. Weliswaar nog beneden het niveau waarop ik naar extra medicatie zou grijpen, maar nét genoeg om die mallemolen hierboven weer wat voeding te geven. Begint hij? Wordt het erger? Hoe zal het straks zijn? Na twee maanden ellende heeft mijn kop blijkbaar niet veel nodig om opnieuw op wacht te gaan staan. Tegelijk laten ook die kloppende vingers zich op zo'n moment weer voelen, alsof mijn lijf nog even wil melden dat al die medicatie natuurlijk ook niet gratis binnenkomt.

En daar zit ge dan tussen. De bijwerkingen zeggen: minder. De pijn zegt: nog niet.

Dus minderen? Voorlopig: no way.

Op 23 oktober mag de pijnkliniek wel eens bekijken of dat hele farmaceutische bouwwerk slimmer kan worden ingericht. Misschien anders verdeeld, misschien andere medicatie, misschien ergens wat verschuiven. Minder sufheid zou prachtig zijn, wat kracht terug nog mooier, en als mijn blaas vervolgens ook besluit opnieuw gewoon naar mij te luisteren, zal ik haar persoonlijk bedanken. Maar één voorwaarde staat bovenaan: Ettertje blijft waar hij nu zit.
Want hoe lastig die sufheid, die obstipatie, die zwakke benen, die kloppende vingers en nu dat urineverlies ook zijn, geen van allen hebben mij zo volledig in hun greep gehad als die pijn. Die bepaalde hoe ik lag, zat, sliep, wandelde, schreef en eigenlijk gewoon hoe ik bestond.

Dus ja, ik ben intussen een heel eind de Sukkelstraat ingerold. De grote pijn lijkt gelukkig ergens een paar huizen terug te zijn achtergebleven. Af en toe hoor ik hem nog wat rommelen in de verte, net genoeg om mij eraan te herinneren dat ik vooral niet te vroeg moet denken dat hij verhuisd is.

Nu nog zien of de rest van Mr Willy stilaan dezelfde weg terug vindt.
En omdat het tegenwoordig zelfs op zondag mogelijk is om in een grootwarenhuis binnen te vallen, ga ik seffens maar eens op zoek naar wat zwaarder materiaal voor de nacht. Iets dat meer aankan dan Tena nummer één en dat hopelijk ook blijft zitten wanneer de eigenaar zich in zijn slaap eens omdraait. En als ik daar dan toch ben, neem ik en passant wel wat koffiekoeken mee. Een mens moet tenslotte iets hebben als compensatie.

Ge kunt moeilijk in de Sukkelstraat wonen en dan 's zondags ook alleen nog maar droog brood eten.