Op zoek naar Ettertje

Gepubliceerd op 14 oktober 2026 om 19:27

Pijn. Pijn. Pijn.
Het is halfdrie deze nacht. Rond tien uur in bed gekropen. Nog geen oog dichtgedaan.
Ik mis Ettertje.
Ben al uren op zoek naar dat rotbeest.
Want ik heb geen pijn. Niks. Nada. Noppes. 
Hooguit ergens onder mijn linker schouderblad een vaag gezeur, maar dat mag nauwelijks een naam hebben.

Dat kan toch niet?

Twee maanden lang heeft dat kleine rotbeest mijn dagen en nachten beheerst. Geen beweging of hij zat ergens te wringen, te trekken, te steken. Soms voorzichtig, alsof hij alleen maar wilde laten weten dat hij er nog was. Soms met zoveel geweld dat ik niet meer wist hoe ik moest liggen, zitten of staan. En nu? Niks.

Ik draai me op mijn linkerzij. Geen pijn. Op mijn rechterzij. Ook niks. Plat op mijn rug, armen omhoog, handen in mijn nek. Mijn vertrouwde overlevingshouding van de laatste weken. Maar er valt niks te overleven. Ik begin zowaar ongerust te worden. Waar zit dat ettertje?
Heb ik iets verkeerd gedaan? Ben ik hem onderweg kwijtgeraakt? Ligt hij ergens onder de dekens? Heeft hij zich verslikt in een van mijn pillen? Of is hij er gewoon vandoor, zonder iets te zeggen, na twee maanden gratis kost en inwoon?

Ik vertrouw het niet. En dus lig ik te woelen. Niet van de pijn, maar van het ontbreken ervan. Een mens zou voor minder beginnen twijfelen aan zijn verstand.

Dan maar opgestaan. Blogje schrijven. Dat is maanden geleden, dat ik 's nachts nog eens uit bed kwam om te schrijven. Niet omdat mijn rug het niet meer uithield, niet om een extra pijnstiller te nemen, maar gewoon omdat ik wakker ben. Zoals vroeger. Toen een slapeloze nacht hooguit betekende dat ik dorst had, of dat er ergens in mijn hoofd een verhaal zat te duwen dat er absoluut uit moest.

Waar gaan we dat schrijven? Zou het dan toch? Ik durf de gedachte nauwelijks af te maken.

Er waren de afgelopen weken al een paar betere nachten – of beter gezegd, minder slechte – geweest. Nachten waarin Ettertje zich wat gedeisd hield en de pijn nog net binnen de grenzen van het aanvaardbare bleef. Maar weg was hij nooit. Meestal begon hij in de namiddag aan zijn dagelijkse ronde. Eerst wat gezeur, dan wat trekken, en tegen de avond werd het afwachten hoe ver hij zou gaan. Op goede dagen hield hij zich nog enigszins koest. Op slechte dagen, zoals eergisteren, was het weer prijs.
Maar gisteren was er al iets aan de hand. Het gebruikelijke gezeur in de namiddag bleef uit. Tegen de avond nog altijd niets. Dezelfde pillen genomen, dezelfde uren aangehouden, niks veranderd aan mijn pijnstilling. En toch lag ik om tien uur in bed met een rug die zich gedroeg alsof er de afgelopen twee maanden helemaal niets gebeurd was.

En nu, bijna vijf uur later, zit ik hier nog altijd zonder pijn. Niet minder pijn. Niet draaglijke pijn.
Bijna géén pijn. En daar weet ik dus geen blijf mee.

Zojuist mijn borst ingesmeerd. Met Gebufferde Cetomacrogilcrème met 10% Amitriptyline. Jawel. Dat staat zo op het potje. Ge moet waarschijnlijk eerst drie jaar farmacie studeren om het zonder struikelen uitgesproken te krijgen. Dient om de oppervlakkige zenuwpijnen juist onder de huid te bedaren.
Welke zenuwpijnen? Heb maar wat gesmeerd tegen de pijn die misschien nog gaat komen. Voor alle zekerheid. Een mens moet toch iets doen.

Intussen staat mijn tweede tas cappuccino naast mij. Ik zit hier gewoon te genieten van het pijnloos zijn. Luisteren naar de stilte in huis. Een beetje tokkelen op mijn toetsenbord. Af en toe voorzichtig mijn schouders bewegen. Mijn rug rechten. Diep ademhalen.

Niks. Met veel verbeeldingskracht kan ik ergens tussen mijn schouderbladen nog iets voelen. Een vaag gerommel. Een beweging misschien. Zou Ettertje daar nog rondkruipen? Krachteloos? Misschien iets verkeerd gegeten? Een overdosis dexamethason op zijn nuchtere maag gekregen? Of ligt hij ergens uitgeteld in een hoekje, met zijn poten omhoog en zijn tong uit zijn bek?

Ik zou bijna medelijden met hem krijgen. Bijna.
Maar het gekke is dat ik hem blijf zoeken. Ik betrap mezelf erop dat ik bewegingen maak die ik de laatste weken angstvallig vermeed. Even vooroverbuigen. Mijn schouders optrekken. Mijn hoofd draaien. Alsof ik hem wil uitdagen. Komaan, manneke. Laat eens iets van u horen.

En telkens weer datzelfde ongeloof. Niks.

Twee maanden lang werd alles bepaald door pijn. Hoe laat ik mijn pillen moest nemen. Hoe ik in mijn zetel ging zitten. Hoe ik in bed kroop. Of ik nog een wandelingetje aandurfde. Zelfs een gewone tas koffie drinken werd soms een kwestie van eerst een houding zoeken waarin mijn rug zich een beetje koest hield. Mijn hele bestaan was stilaan rond Ettertje georganiseerd.

En nu wordt alles bepaald door het ontbreken van die pijn.

Ik weet precies wat ik moet doen wanneer Ettertje begint tekeer te gaan. Ik ken zijn kuren, zijn favoriete uren, zijn gemene streekjes. Daar ben ik de afgelopen maanden behoorlijk bedreven in geraakt. Maar wat moet ik in godsnaam doen wanneer hij niks doet? Slapen, zeker? Lukt niet.

Ik ben bang.

Twee maanden lang heb ik verlangd naar een nacht zoals deze. Gesmeekt bijna. Gewoon eens kunnen liggen zonder pijn. Eens wakker worden zonder eerst voorzichtig te moeten onderzoeken wat er allemaal zeer doet. En nu ik die nacht eindelijk krijg, lig ik wakker van schrik dat iemand hem weer komt afpakken.

Want morgen kan het opnieuw beginnen. Misschien straks al. Misschien zit Ettertje gewoon zijn krachten te verzamelen en springt hij over een paar uur weer met heel zijn hebben en houden op mijn rug. Ik heb de afgelopen weken al vaker gedacht dat het eindelijk beter ging, om vervolgens weer met beide voeten, en vooral met mijn rug, op de grond terecht te komen.

Ik durf nauwelijks blij te zijn.
En toch ben ik het. Zo verschrikkelijk blij dat ik er geen blijf mee weet.
Verdomme, wat is dit zalig.
Gewoon hier zitten. Halfdrie voorbij. Een tas cappuccino. Een toetsenbord. Geen pijnscheuten. Geen gezoek naar een houding. Geen verlangen om de klok een paar uur vooruit te draaien zodat ik weer iets tegen de pijn mag nemen.

Ik zou moeten gaan slapen. Straks wordt het licht en zit ik hier met kleine oogjes aan mijn derde of vierde cappuccino. Maar ik wil nog niet. Ik wil dit nog even vasthouden. Dit ongelooflijke, onnozele, doodgewone gevoel dat mijn lijf mij met rust laat. Alsof ik ergens een stukje van mijn oude leven heb teruggevonden. Een stukje waarvan ik bijna vergeten was dat het ooit bestaan had.
Misschien is het de medicatie. Misschien begint die nieuwe behandeling eindelijk haar werk te doen. Misschien hebben al die pillen samen Ettertje een zodanige oplawaai verkocht dat hij voorlopig niet meer weet waar zijn kop staat.

Ik weet het niet. Ik weet alleen dat ik hier zit en dat er niks zeer doet. En dat ik nauwelijks durf te bewegen, alsof ik daarmee het hele zaakje weer kan bederven. Wat een toestand. Twee maanden lang bang geweest om te bewegen omdat het pijn deed. En nu bang om te bewegen omdat het géén pijn doet.

Intussen is het bijna vier uur. Mijn cappuccino is op. Hooguit dat vage gezeur onder mijn linker schouderblad, maar daar wil ik voorlopig geen ruzie over maken.
Ik zou zo graag geloven dat het voorbij is. Dat ik morgen wakker word, mijn benen uit bed zwaai en gewoon aan de dag kan beginnen. Zonder eerst te moeten luisteren naar wat mijn rug ervan vindt.

Maar ik durf niet.

Misschien morgen.

Als Ettertje dan nog altijd zijn mond houdt.