Nou, de laatste jaren hebben we al behoorlijk wat medische behandelingen ondergaan. Operaties, chemotherapie, bestralingen, hormoonbehandelingen... Als er ergens een dokter met een nieuwe machine op de proppen kwam, was de kans groot dat ik er vroeg of laat onder terechtkwam. Maar onlangs ontdekte ik een behandeling die zelfs voor mij een beetje ver gaat. Ge moet er namelijk eerst voor doodgaan.
Onder meer in Amerika kunt ge regelen dat ze u na uw overlijden invriezen bij min 196 graden, om u vervolgens een eeuw of twee te bewaren in de hoop dat toekomstige dokters u opnieuw tot leven kunnen wekken. Het heet cryonics en het bestaat werkelijk. Alleen is er één klein probleempje: er is nog nooit iemand levend uit zo'n vat gekomen. Dat hoeft natuurlijk niet te betekenen dat het nooit zal lukken. Maar als ge een behandeling wilt beoordelen op de tevredenheid van de patiënten, zit ge hier voorlopig wel met een bijzonder zwijgzaam klantenbestand.
Ik heb het voorstel voorzichtig aan Mevr Willy voorgelegd. "Zeg, schat, wat zoudt ge ervan denken als ik mij na mijn dood laat invriezen?"
Ze keek niet eens op. "We hebben geen plaats."
"Maar mens, niet hier! In Amerika!"
"En wie gaat dat betalen?"
Daar had ze natuurlijk weer een punt. Voor zo'n behandeling betaalt ge al gauw een bedrag waarvoor ge een behoorlijk appartement kunt kopen. En dan hebt ge nog niet eens de garantie dat ze u ooit terugkrijgen in werkende staat. Ik heb al tweedehandswagens gekocht met betere garantievoorwaarden.
Misschien bestaat er ergens een goedkopere formule. Alleen het hoofd laten invriezen bijvoorbeeld. Dat schijnt ook te kunnen. Ge bespaart een hoop plaats en tegen de tijd dat ze u ontdooien, hebben ze hopelijk uitgevonden hoe ze er een nieuw lichaam onder kunnen zetten. Dat zou nog niet zo slecht zijn. Een iets groter exemplaar misschien, met stevige benen, een behoorlijke rug en voeten waarin ge weer kunt voelen waar ge op loopt. Liefst ook met twee goed werkende oren, want als ik na tweehonderd jaar opnieuw tot leven kom en nog altijd drie keer moet vragen wat iemand gezegd heeft, hoeft het voor mij eigenlijk niet meer.
Mevr Willy vond dat ik beter eerst eens kon proberen mijn huidige lichaam behoorlijk te onderhouden. Daar viel weinig tegen in te brengen. Maar hoe langer ik over dat invriezen nadacht, hoe aantrekkelijker het werd. Stel u voor dat ze mij over tweehonderd jaar opnieuw wakker maken, mijn medisch dossier bekijken en vaststellen dat ik nog altijd kanker heb. Een dokter drukt op een knopje, een machine begint te zoemen en vijf minuten later is het voorbij.
"Zo, meneer Willy. Uw kanker is verdwenen. Nog andere klachten?"
Nou, dan zouden ze best een stoel bijschuiven. En Ettertje? Die mocht eindelijk zijn koffers pakken. Althans, dat was mijn bedoeling. Want nauwelijks had ik mijn plannen een beetje uitgewerkt of ik voelde onder mijn schouderblad dat vertrouwde gezeur.
"Willy?"
"Wat nu weer?"
"Ik heb gehoord dat ge op reis gaat."
"Dat gaat u niet aan."
"Naar Amerika, blijkbaar. En daarna tweehonderd jaar in de diepvries."
"Inderdaad. En deze keer zonder u."
"Zonder mij? Hoe denkt ge dat te regelen?"
"Heel eenvoudig. Tegen die tijd hebben ze u in twee seconden verwijderd."
"Dat zullen we nog wel eens zien. Ik zit hier niet voor mijn plezier, hé. Ik heb ook rechten."
"Gij hebt helemaal geen rechten. Gij zijt een tumor."
"Nou, én?"
"Luister, Ettertje. Ik ben van plan mij te laten invriezen en over tweehonderd jaar zonder kanker wakker te worden. En daarmee uit."
"En wie zegt dat ik niet meega?"
Daar had ik eerlijk gezegd nog niet bij stilgestaan. Want als ze mijn hele lichaam invriezen, zit Ettertje er natuurlijk ook nog in. Dan liggen we daar samen, tweehonderd jaar lang, als een bijzonder onaangenaam samengesteld diepvriesgerecht.
"Zijt ge eigenlijk wel bestand tegen zulke lage temperaturen?" vroeg ik.
"Geen idee. Maar we kunnen het proberen. En als het niet lukt, zijt ge eindelijk van mij verlost."
Voor één keer klonk dat behoorlijk redelijk.
"En stel dat we allebei wakker worden, Willy. Wat dan?"
"Dan halen ze u eruit."
"Na tweehonderd jaar samen? Dat vind ik toch nogal ondankbaar. We hebben verdorie meer tijd met elkaar doorgebracht dan sommige getrouwde koppels."
"Ja, en ge hebt mij in die tijd ook meer miserie bezorgd dan drie schoonmoeders samen."
Daar had hij blijkbaar geen antwoord op. Ik begon mij ondertussen wel af te vragen hoe zo'n wederopstanding eigenlijk zou verlopen. Ge wordt wakker in een wereld die ge totaal niet meer kent, zonder identiteitskaart, zonder bankrekening en waarschijnlijk zonder pensioen. Uw smartphone is inmiddels een museumstuk en als ge ergens vraagt waar België ligt, zeggen ze misschien dat ge daarvoor bij de afdeling verdwenen beschavingen moet zijn. En stel dat ge na tweehonderd jaar eindelijk uw eerste kop cappuccino krijgt en ontdekt dat ze ondertussen ook dát vervangen hebben door een of andere voedingscapsule. Dan zou ik toch ernstig overwegen om mij opnieuw te laten invriezen.
Maar er is natuurlijk nog iets wat minder gemakkelijk op te lossen valt. Mevr Willy. Want wat moet ik met haar aanvangen? Meenemen? Haar ook laten invriezen? Ik heb haar voorzichtig gevraagd of ze belangstelling had voor een plaatsje naast mij.
"Tweehonderd jaar naast u liggen?" vroeg ze.
"Ja, maar ge merkt daar niets van. Ge slaapt gewoon."
"Dat zegt ge nu. Thuis kunt ge nog geen twee uur stil in uw bed blijven liggen."
Ik heb het onderwerp voorlopig maar laten rusten. En toch blijft dat invriezen ergens in mijn achterhoofd zitten. Niet omdat ik nu zo'n geweldige belangstelling heb om in het jaar 2226 opnieuw belastingen te betalen of kennis te maken met de nieuwste generatie politici. Daarvoor hoef ik echt geen tweehonderd jaar te wachten.
Maar ik zou verdorie wel eens willen weten hoever de kankerwetenschap over tweehonderd jaar staat. Misschien halen ze mijn oude medisch dossier boven en schudden ze ongelovig het hoofd. Al die operaties, bestralingen, chemokuren en pillen waarmee ze in 2026 een mens probeerden in leven te houden. Terwijl zij ondertussen kanker genezen met één pilletje en een glas water. Dat zou ik nog eens willen meemaken.
Alleen... als ik na tweehonderd jaar uit mijn diepvrieskist kruip, zijn Mevr Willy, mijn kinderen en kleinkinderen er allang niet meer. Dan sta ik daar, eindelijk genezen, in een wereld waarin niemand mij nog kent. Geen vertrouwde gezichten, geen bekende stemmen. Zelfs niemand meer die zich herinnert dat ik ooit kanker heb gehad.
Of toch?
Ergens onder mijn schouderblad klonk een zacht, bijna ontroerd stemmetje.
"Ge zijt mij toch niet vergeten, hé, Willy?"