Van een wachtzaal wordt een mens niet wijzer.
Dat is toch wat ik altijd gedacht heb.
Ge zit daar tussen mensen die allemaal doen alsof ze een tijdschrift aan het lezen zijn, terwijl iedereen eigenlijk alleen maar wacht tot zijn naam geroepen wordt. En ondertussen maakt uw hoofd overuren.
PSA.
Scan.
Volgende behandeling.
Hoe lang zou deze medicatie nog werken?
Ge kent dat wel.
Er kwam een man naast mij zitten. We wisselden eerst de gebruikelijke zinnetjes uit. Warm weer. Druk vandaag. Altijd vertraging.
Na vijf minuten waren we, zoals dat in een oncologische wachtzaal bijna vanzelf gaat, over kanker bezig.
Ik vertelde dat ik mezelf soms zot denk. Dat ik in mijn hoofd al drie behandelingen verder ben terwijl de uroloog nog niet eens binnen is.
Hij keek me even aan.
"Da's een slechte gewoonte," zei hij.
Meer niet.
Ik moest lachen.
"Als ge weet hoe ge ermee moet stoppen," zei ik, "moogt ge het zeggen."
Hij haalde zijn schouders op.
"Ik kan dat ook niet."
En toen werd hij afgeroepen.
Dat was het.
Geen groot gesprek. Geen levenswijsheden. Geen wonderbaarlijke inzichten.
Maar ik heb de rest van de dag toch aan die ene zin gedacht.
Misschien omdat ik besefte dat we daar allemaal een beetje hetzelfde zitten te doen.
Alsof we door genoeg te piekeren de uitslag kunnen beïnvloeden.
Alsof ongerust zijn een soort verzekering is tegen slecht nieuws.
Terwijl de kanker daar natuurlijk geen boodschap aan heeft.
De PSA stijgt er niet sneller door.
Maar hij daalt er ook niet van.
En toch blijf ik het doen.
Eigenlijk een rare hobby, als ge erover nadenkt.