Er was eens een kleine Nordmannspar die nog niet wist dat hij een kerstboom was.
Hij wist trouwens van heel veel dingen nog niets. Zijn wereld bestond uit donkere aarde onder hem, licht boven hem, regen die kwam wanneer de wolken dat wilden en wind die soms zacht en soms wild door zijn jonge takken streek. Meer was er niet. En meer hoefde er ook niet te zij. Zijn wereld was in het begin niet groter dan een handvol donkere aarde, een beetje vocht en ergens ver boven hem een licht dat hij niet kon zien, maar waar hij toch naartoe groeide, omdat kleine bomen blijkbaar net als kleine kinderen soms dingen doen zonder te weten waarom.
Eerst kwam er een worteltje.
Dat kroop voorzichtig naar beneden, de koele grond in, waar het donker was maar veilig en waar altijd wel ergens iets te drinken viel.
Daarna kwam er een groen puntje naar boven.
Heel klein nog. Zo klein dat een kever er zonder moeite overheen kon stappen en een merel hem waarschijnlijk niet eens als boom zou hebben herkend. Maar hijzelf voelde zich prachtig. De zon was warm, de regen tikte zacht op zijn eerste naaldjes en wanneer de wind over hem heen streek, boog hij mee en kwam daarna weer overeind. Meer hoefde het leven blijkbaar niet te zijn.
Een paar jaar later verhuisde hij naar een groot veld waar honderden andere jonge sparren stonden, allemaal op hun eigen stukje grond, met genoeg ruimte om hun takken uit te slaan. Daar begon eigenlijk zijn echte jeugd.
De lente was zijn lievelingsseizoen, al had hij dat woord toen nog niet. Hij kende alleen dat bijzondere licht dat ieder jaar terugkwam en de aarde zachter maakte, waarna tussen zijn takken ineens weer kleine stemmen opdoken. Mezen, mussen, roodborstjes, soms zo licht dat hij nauwelijks voelde dat ze op hem neerstreken. Een van hen bouwde ooit diep tussen zijn takken een nest van mos, veertjes en droog gras, en wekenlang droeg hij daar een heel klein gezin zonder dat iemand beneden er iets van merkte.
Dat maakte hem trots.
Niet op de manier waarop mensen trots zijn en dat dan meteen aan iemand moeten vertellen, maar stilletjes, diep in zijn stam. Hij stond daar gewoon wat rechter dan anders en probeerde zijn takken niet te bewegen wanneer de moeder terugkwam met eten.
Zo gingen de jaren voorbij.
In de zomer hield hij schaduw vast onder zijn onderste takken en rook de warme aarde naar hars en stof. In de herfst bleven er soms spinnenwebben tussen zijn twijgen hangen, vol kleine druppels die in de ochtendzon fonkelden alsof iemand hem in de nacht stiekem had versierd. In de winter lag er sneeuw op zijn armen en wanneer die te zwaar werd, boog hij een beetje door, maar nooit lang. De kweker kwam dan wel eens langs, klopte voorzichtig de sneeuw van zijn takken en keek tevreden naar hem.
Soms kreeg hij water wanneer het lang droog was.
Soms werd de grond rond zijn stam netjes gemaakt.
En heel af en toe knipte iemand een tak bij die te ver naar buiten groeide, of hielp zijn top weer recht wanneer die wat eigenwijs opzij wilde.
Hij vond dat niet altijd prettig, maar hij zag er niets kwaads in.
Integendeel.
Er werd voor hem gezorgd.
En iedere keer wanneer de kweker zijn hoofd wat schuin hield, naar hem keek en zacht zei: “Mooi boompje,” voelde hij iets wat misschien wel geluk was.
Want wat kon een boom nog meer wensen?
Grond onder zijn voeten, regen wanneer hij dorst had, zon op zijn naalden en af en toe een vogel die besloot dat juist híj een goede plek was om even uit te rusten.
Hij dacht dat dit zijn leven was.
En heel lang was dat ook zo.
Tot hij op een herfstmiddag voor het eerst het woord hoorde waarvoor hij al die jaren was grootgebracht.
Kerstboom.