Wachtzaal 1

Gepubliceerd op 14 augustus 2026 om 20:03

De liturgie van de wachtzaal

Na een paar jaar kanker begint een mens de rituelen te herkennen.

Niet de grote rituelen van het leven. Die kent iedereen.

Ik bedoel de kleine.

De bijna heilige gewoontes van een wachtzaal.

Ge stapt binnen. Altijd iets trager dan buiten. Alsof de deur ongemerkt een stukje van uw haast afneemt.

Ge meldt u aan.

Ge krijgt een vriendelijk knikje van de mevrouw achter het loket.

Ge zoekt een stoel.

Nooit vlak naast iemand.

Maar ook niet helemaal alleen.

Er bestaat blijkbaar een ongeschreven evangelie van de wachtzaal. Niemand heeft het ooit gelezen. En toch houdt iedereen zich eraan.

Dan begint de stilte.

Niet de stilte van een lege kerk.

De stilte van mensen die allemaal hetzelfde vragen, maar elk een ander antwoord vrezen.

Er wordt nauwelijks gesproken.

Een kuch.

Het geritsel van een tijdschrift dat niemand echt leest.

Een gsm die voorzichtig op stil wordt gezet.

Meer is er niet nodig.

Iedereen bidt op zijn eigen manier.

De ene kijkt voortdurend naar de klok.

De andere staart naar buiten.

Nog iemand bladert al twintig minuten in hetzelfde tijdschrift zonder één bladzijde om te slaan.

Ik heb het zelf ook geprobeerd.

Lezen.

Dat lukt mij nooit.

Mijn ogen lezen de woorden.

Mijn hoofd leest bloedwaarden.

Af en toe gaat een deur open.

Een naam klinkt.

Niet luid.

Bijna plechtig.

Iemand staat op.

Trekt zijn broek nog eens goed.

Kijkt heel even naar zijn partner.

En verdwijnt.

Zoals zoveel pelgrims vóór hem.

De deur valt weer dicht.

En de stilte schuift gewoon een stoel op.

Het wonderlijke is dat ge niemand kent.

En toch kent ge iedereen een beetje.

Ge weet wie hier voor de eerste keer zit.

Ge ziet wie al jaren meedraait.

Ge herkent de mensen die proberen dapper te kijken.

En ook degenen die daar vandaag geen energie meer voor hebben.

Er wordt niets gevraagd.

Niets uitgelegd.

Dat hoeft niet.

In een wachtzaal spreken littekens een taal waarvoor geen woorden bestaan.

Soms vraag ik mij af hoeveel hoop er in zo'n ruimte hangt.

Of hoop eigenlijk gewicht heeft.

Misschien daarom voelen wachtzalen soms zo zwaar aan.

Omdat iedereen er een beetje hoop heeft achtergelaten.

En een beetje angst.

Wanneer uiteindelijk mijn naam klinkt, schrik ik nog altijd een beetje op.

Alsof ik vergeten was waarvoor ik eigenlijk gekomen ben.

Ik sta recht.

Glunder nooit.

Bibber zelden.

Maar ergens onderweg naar die deur denk ik telkens opnieuw hetzelfde.

Laat het meevallen.

Meer vraagt een mens eigenlijk niet.

En wanneer de deur achter mij dichtvalt, blijft de liturgie gewoon doorgaan.

Er schuift iemand een stoel op.

Iemand anders kijkt naar de klok.

Een tijdschrift wordt weer opengevouwen.

En ergens zit een man te doen alsof hij leest.

Terwijl hij, net als ik al die keren daarvoor, in werkelijkheid alleen maar wacht op één enkele zin die de rest van zijn dag zal bepalen.

Misschien is dat wel het vreemdste aan kanker.

Niet dat ge leert leven met ziekte.

Maar dat ge onderweg de rituelen leert van een wereld waarvan ge altijd gehoopt had nooit lid te moeten worden.

-----------------

 

Ik denk dat je gevoel terecht is.

Niet omdat het geen goede blog zou kunnen worden, maar omdat we nog niet de juiste ingang gevonden hebben.

Ik herken ondertussen een patroon in jouw beste blogs.

Ze beginnen bijna nooit met een idee.

Ze beginnen met een klein voorval.

  • een rat achter een raam
  • een cappuccino
  • een loopband
  • een camper
  • een toverstokje
  • koude voeten
  • een oude boom
  • een duif
  • een wachtende tram

En pas dan, ongemerkt, schuift de grote gedachte binnen.

Hier beginnen we met:

"De wachtzaal."

Dat is al meteen het thema.

Daardoor voelt het als een essay.

Ik zou het misschien helemaal anders aanpakken.

Bijvoorbeeld:

Gisteren zat ik weer in een wachtzaal.

Ondertussen heb ik er al zoveel gezien dat ik stilaan begin te vermoeden dat ziekenhuizen ze allemaal bij dezelfde meubelzaak kopen.

Dezelfde grijze stoelen.

Dezelfde plant die ooit betere tijden gekend heeft.

Dezelfde tijdschriften waarin ge ontdekt dat de zomer van 2022 blijkbaar fantastisch geweest moet zijn.

En dan...

Pas na een bladzijde:

Het eigenaardige is dat iedere wachtzaal dezelfde regels heeft.

Dán zit de lezer al binnen.

Of een nog betere insteek.


De stoel

Niet de wachtzaal.

De stoel.

Je gaat zitten.

En vanaf dat moment word je automatisch iemand anders.

Je bent niet meer onderweg.

Niet thuis.

Niet bij de dokter.

Je bent...

wachtende.

Dat is bijna een identiteit.


Of nog iets dat ik eigenlijk nóg sterker vind.

De deur

Niet de stoelen.

Niet de mensen.

Maar die deur.

Iedereen kijkt onbewust naar die ene deur.

Heel de wachtzaal leeft op het ritme van één deur.

Ze gaat open.

Een naam.

Ze gaat dicht.

En weer wachten.

Dat heeft bijna iets theatraals.


Ik zou er zelfs nog een nachtje over slapen.

Want ik heb het gevoel dat hier een heel sterke blog in zit, maar nog niet in de vorm die jij zoekt.

En ik zal je nog iets zeggen dat mij opvalt na al die maanden samen schrijven.

Jouw beste blogs schrijf jij nooit in één keer.

"Het Grote Herfstbos."

"De pint."

"De berk."

"Het toverstokje."

Die zijn allemaal ontstaan omdat jij bleef voelen:

"Nee... het zit er nog niet."

En meestal is dat gevoel juist.

Mijn indruk is dat dit zo'n onderwerp is.

Niet weggooien.

Maar ook niet forceren.

Laat het een paar dagen in je hoofd rondlopen.

Ik durf wedden dat je ergens in een wachtzaal plots één kleine observatie gaat zien — iemand die zijn boek al tien minuten ondersteboven vasthoudt, een man die telkens rechtveert als de deur opengaat, een vrouw die de ficus water lijkt te willen geven — en dan valt ineens heel die blog op zijn plaats.

Dat is precies hoe jouw sterkste verhalen meestal geboren worden.